Koen van Veen Het mooie van de museumsector is de liefde die mensen in musea hebben voor hun werk. Of het nu vrijwilligers zijn of betaalde medewerkers: iedereen doet het met hart en ziel.
In 2026 bestaat de Museumvereniging precies honderd jaar. Wat begon als overleg tussen enkele museumdirecteuren en hoogleraren is uitgegroeid tot een landelijke vereniging die meer dan 500 musea vertegenwoordigt. Door de jaren heen veranderde de museumsector ingrijpend. Ook de Museumvereniging en de Museumkaart ontwikkelden zich voortdurend. In deze jubileumserie spreken we met mensen die die geschiedenis van dichtbij hebben meegemaakt. Dit keer: Koen van Veen en Carla Keijzer. Zonder meer de bekendste contactpersonen van de Museumvereniging en Museumkaart. Welke museumcollega kent hun namen niet? Samen werkten Koen en Carla meer dan zestig jaar voor de vereniging en de kaart. Dit gesprek gaat over een sector die steeds veranderde, collega’s die vrienden werden en een kaart die uitgroeide tot een van de bekendste en meest geliefde merken van Nederland.
Carrière per toeval
Zowel Carla als Koen kwam min of meer toevallig bij de organisatie terecht. Carla begon begin 1988 bij de Stichting Museumjaarkaart. Ze was net afgestudeerd als cultureel antropoloog en werkte tijdelijk in een café. Toen een sollicitatie na een langdurige selectieprocedure op niets uitliep, kwam ze bij toeval bij de Museumjaarkaart terecht. “Ik werd gevraagd om één week in te vallen voor een secretaresse,” vertelt ze. “Na een week zei de directeur: jij kunt wel dingen, wil je blijven? Zo is het begonnen. En ik ben nooit meer weggegaan.”
Ook Koen had niet verwacht dat hij tientallen jaren zou blijven. Hij kwam in februari 1996 via een uitzendbureau binnen om te helpen bij de verhuizing van Leiden naar Amsterdam. “Ik zou eigenlijk dozen inpakken in Leiden en weer uitpakken in Amsterdam. Maar vervolgens bleek er ondersteuning nodig op het secretariaat en later ook op financiën. Zo groeide het steeds verder.”
Beiden bouwden uiteindelijk hun functie grotendeels zelf op. Carla ontwikkelde zich richting communicatie en contacten met musea. Koen groeide uit tot een van de vertrouwde gezichten achter de Museumkaart.
Klein, persoonlijk en dichtbij
De Stichting Museumjaarkaart waar Carla begon, verschilde enorm van de huidige Museumvereniging. “Er was een directeur, een financiële man en een secretaresse. Dat was het,” zegt ze lachend. Ook waren de Museumvereniging en de Museumjaarkaart lange tijd aparte organisaties. Pas na de fusie in 2003 ontstond stap voor stap een geïntegreerde organisatie waarin de kaart en de belangenbehartiging steeds meer met elkaar verweven raakten.
Beiden denken met genoegen terug aan de sfeer. Carla kijkt met een glimlach terug op de borrels na bestuursvergaderingen van de Stichting Museumjaarkaart aan de Prins Hendriklaan. “Na afloop zaten we vaak nog met elkaar na te praten en bespraken we van alles. Dat waren heel waardevolle momenten.”
“Het mooie van de museumsector is de liefde die mensen in musea hebben voor hun werk. Of het nu vrijwilligers zijn of betaalde medewerkers: iedereen doet het met hart en ziel,” zegt Koen. “Als je ergens op bezoek gaat, word je soms langer rondgeleid dan de afspraak duurt. Iedereen is ontzettend enthousiast over zijn of haar museum.” Voor Carla zit daarin ook de reden waarom zoveel mensen lang blijven werken. Het is een sector vol betrokkenheid. De liefde die mensen hebben voor hun museum, voor de collectie of voor het verhaal dat ze vertellen, werkt aanstekelijk.
Carla ontdekte al vroeg hoe bijzonder en internationaal de museumwereld kan zijn. Tijdens haar eerste ICOM-conferentie, in 1989 in Den Haag, maakte ze kennis met Alpha Oumar Konaré, destijds voorzitter van ICOM. “Een indrukwekkende man. Hij was de eerste Afrikaan in die functie. En kort na onze ontmoeting werd hij president van Mali. Zo besefte ik hoe internationaal de museumwereld eigenlijk is en hoeveel inspirerende mensen je er kunt ontmoeten.”
Op je knieën over de drukproeven
Veel herinneringen laten zien hoe sterk het werk veranderde. Voordat alles digitaal werd, werden tijdschriften en jaarverslagen nog op papier gecontroleerd. Koen ziet het nog voor zich. “Dan lagen we met z’n allen op onze knieën over de drukproeven van het Museumkaartmagazine gebogen om foutjes te zoeken.” Carla herinnert zich de periode daarvoor. “Ik moest vroeger voor drukproeven naar Hilversum rijden. We hadden typemachines met correctielint. En toen we de eerste computers kregen, moest iemand mij uitleggen hoe een muis werkte.”
Het zijn herinneringen aan een tijd waarin de Museumjaarkaart nog klein was en communicatie met kaarthouders nauwelijks mogelijk bleek. “We hadden helemaal geen gegevens van kaarthouders,” zegt Carla. “Er waren geen nieuwsbrieven, geen bestanden, geen data. We moesten maar afwachten of mensen hun kaart verlengden.”
De groei van de kaart
Toen Koen begon, telde de Museumjaarkaart ongeveer 100.000 eigen kaarthouders. Daarnaast waren er grote samenwerkingen met onder meer Rabobank en NS, waardoor honderdduizenden extra mensen via hun abonnement of pakket een kaart kregen. Niemand kon toen vermoeden dat het aantal kaarthouders in 2026 zou uitgroeien tot meer dan 1,5 miljoen.
Een belangrijk keerpunt kwam toen die samenwerkingen wegvielen. Plotseling stond de organisatie voor een fundamentele keuze: moest de Museumjaarkaart zich ontwikkelen tot een kortingskaart of juist vasthouden aan het oorspronkelijke idee van onbeperkt museumbezoek gedurende een jaar? Die laatste koers werd gekozen. “Toen zijn we echt gaan groeien,” vertelt Koen. “We mochten wel marketingacties doen richting de voormalige Rabobank- en NS-kaarthouders. In twee jaar tijd stapten ongeveer 200.000 mensen over. Vanaf dat moment gingen we echt volume draaien.” Ook de vernieuwing van grote musea speelde een belangrijke rol. De heropening van het Rijksmuseum in Amsterdam, de vernieuwing van het Scheepvaartmuseum en de aansluiting van NEMO trokken nieuwe bezoekersgroepen aan en maakten de Museumkaart voor steeds meer mensen aantrekkelijk.
Toch blijft de groei voor een deel onverklaarbaar. “Volgens mij heeft niemand voorzien dat het aantal kaarthouders zo zou blijven doorgroeien,” zegt Carla. Voor Koen is dat nog steeds bijzonder. “Op een gegeven moment dacht ik: bij een miljoen houdt het wel ongeveer op. Maar daarna groeide het gewoon verder.”
Jan Wolkers op de Museumkaart
Een van de mooiste anekdotes gaat over het uiterlijk van de Museumkaart. Bij de overgang van Museumjaarkaart naar Museumkaart in 2003 werd gezocht naar een nieuw ontwerp. Reclamebureaus kwamen met bekende beelden: zonnebloemen van Van Gogh, Rembrandt-achtige verwijzingen. Maar collega Caroline Bunnig had een ander idee. “Zij kende iedereen,” vertelt Carla. “Ze zei: ik bel Jan Wolkers wel even. Die had net allemaal nieuwe schilderijen gemaakt, abstract, met kleurtjes. Misschien mogen we daar iets van gebruiken.”
Dat mocht. “Dat kleurrijke dessin werd jarenlang het gezicht van de Museumkaart,” zegt Carla trots. Koen vult aan: “Inmiddels heeft de fysieke kaart een nieuw ontwerp, maar veel kaarthouders hebben de versie met het werk van Jan Wolkers nog altijd in hun portemonnee, omdat niet iedereen automatisch een nieuwe fysieke kaart ontvangt.”
Het land door voor musea
Voor Carla vormden de contacten met musea het mooiste onderdeel van haar werk. “Op een gegeven moment ben ik het hele land door gegaan. Dan reed ik bijvoorbeeld naar Noordoost-Groningen en bezocht ik onderweg allerlei musea.” Daardoor leerde ze niet alleen de grote instellingen kennen, maar juist ook de kleinere musea en de mensen erachter. “Dat heeft me ontzettend veel opgeleverd. Ik heb zoveel enthousiaste en bevlogen mensen ontmoet.”
Gevraagd naar hun favoriete musea hoeven ze niet lang na te denken. Museum Boijmans Van Beuningen staat hoog op Carla’s lijstje, maar net zo gemakkelijk noemt ze kleinere musea als Museum Kranenburgh in Bergen of technische collecties waar vrijwilligers met zichtbaar plezier verhalen vertellen, zoals het Nederlands Stoommachinemuseum in Medemblik. “Dat soort dingen vind ik geweldig.”
Koen heeft een zwak voor Amsterdamse grachtenmusea als Museum Van Loon en Huis Marseille. “Los van de collectie vind ik het prachtig om zo’n gebouw binnen te lopen.” Huis Marseille noemt hij als een favoriet, mede door zijn belangstelling voor fotografie. “Maar uiteindelijk is er voor iedereen wel een museum,” zegt hij. “En dat is juist het mooie.”
Een sector verbonden in crisis
Als er één periode was waarin de meerwaarde van de Museumvereniging duidelijk werd, dan was het volgens beiden de coronacrisis. Musea moesten hun deuren sluiten, regels veranderden voortdurend en de onzekerheid was groot. “Toen waren we meer dan ooit hét centrale aanspreekpunt voor de sector,” zegt Carla. “Er was veel contact met de overheid en met musea en de hele cultuursector sloeg de handen ineen.”
Ook de Museumkaart speelde daarin een rol. Uitbetalingen aan musea liepen door, zodat instellingen niet direct zonder inkomsten kwamen te zitten. Kaarthouders kregen extra tijd op hun kaart wanneer musea gesloten waren. Wat Koen vooral is bijgebleven, is de loyaliteit van het publiek. “Ik dacht eerlijk gezegd dat we misschien de helft van onze kaarthouders kwijt zouden raken. Maar bijna niemand zegde op. Zodra de musea weer open gingen, kwam de groei meteen terug.”
Blijven meebewegen
Als ze vooruitkijken naar de toekomst, hopen beiden dat de Museumvereniging blijft doen wat ze altijd heeft gedaan: meebewegen met een veranderende wereld. “Musea zijn belangrijk,” zegt Carla. “Kunst en geschiedenis kunnen troost bieden en je kunt ervan leren. Ik hoop dat de vereniging zich blijft ontwikkelen zoals ze dat altijd heeft gedaan.”
Koen ziet daarbij ook een opdracht voor de Museumkaart. “We moeten steeds nieuwe generaties blijven bereiken. Jongeren, jongvolwassenen en mensen die nu nog niet vanzelfsprekend een museum bezoeken.”
Meer dan een kaart
Als Koen en Carla terugkijken, zien ze vooral een organisatie die voortdurend in beweging is. De Museumkaart groeide uit van een relatief klein product tot een van de bekendste en sterkste merken in Nederland en de Museumvereniging ontwikkelde zich tot een invloedrijke belangenbehartiger voor de sector.
Toch denken ze niet als eerste aan cijfers of organisatieveranderingen, maar aan de mensen achter de musea. Aan collega’s, museumprofessionals en vrijwilligers die zich iedere dag inzetten om collecties en verhalen toegankelijk te maken. Juist die betrokkenheid hopen ze ook de komende honderd jaar te blijven zien.
Interview: Udo Feitsma
Redactie: Udo Feitsma en Natasha Wiesemann
Foto’s: Mark Rammers
De foto’s zijn genomen in het kantoor van de Museumvereniging aan het Singel in Amsterdam.