Maite van Dijk Er zijn verschillen in bereikbaarheid en demografie, maar die bepalen niet wie je bent als museum.
In 2026 bestaat de Museumvereniging precies 100 jaar. Wat begon als overleg tussen enkele museumdirecteuren en hoogleraren, is uitgegroeid tot een landelijke vereniging die vandaag de dag meer dan 500 musea vertegenwoordigt. Al 100 jaar zijn musea via deze vereniging met elkaar verbonden en nauw verweven met de samenleving. In het kader daarvan publiceren wij een serie duo-interviews met museumprofessionals, waarin we dieper ingaan op actuele thema’s uit de sector. In dit interview staat de relatie tussen Randstad en regio centraal, en die tussen internationale publiekstrekkers en musea buiten de grote steden. Wat betekent de plek waar een museum gevestigd is voor de manier van werken, het publiek en de maatschappelijke betekenis?
Maite van Dijk is algemeen directeur van Museum MORE, met locaties in Gorssel, Ruurlo en sinds september 2026 ook in Delden. Ronald Leopold is algemeen directeur van de Anne Frank Stichting, die het Anne Frank Huis beheert en het levensverhaal van Anne Frank wereldwijd onder de aandacht brengt. Twee directeuren uit ogenschijnlijk verschillende werelden. Aan de ene kant een kunstmuseum in de Achterhoek, omgeven door natuur en gericht op Nederlandse moderne en hedendaagse kunst. Aan de andere kant een van de meest bezochte musea van Nederland, midden in het centrum van Amsterdam, met jaarlijks ruim een miljoen bezoekers uit alle delen van de wereld. Tussen Amsterdam en de Achterhoek liggen ruim 100 kilometer en een wereld van verschil. Maar gaandeweg het gesprek blijken het Anne Frank Huis en Museum MORE verrassend veel gemeen te hebben.
Meer dan een postcode
Wanneer het gesprek op de tegenstelling tussen Randstad en regio komt, reageren beiden opvallend eensgezind. Volgens Ronald leeft nog altijd het beeld dat musea buiten de Randstad minder professioneel zouden zijn. “Wat ik tegenkom bij musea in Nederland, groot en klein, is enorm veel toewijding, liefde én professionaliteit,” zegt hij. “Ik ben altijd onder de indruk van wat er tot stand wordt gebracht met betrekkelijk weinig middelen. Dat krijgt naar mijn gevoel te weinig erkenning.”
Maite herkent dat beeld onmiddellijk. “Ik hoor nog regelmatig bezoekers binnenkomen die zeggen: jee, dat er hier in de provincie zoiets is. Aan de ene kant is het leuk dat mensen verrast zijn, aan de andere kant laat het zien hoe hardnekkig dat beeld nog steeds is.”
Tegelijkertijd verzetten beiden zich tegen het label ‘regionaal museum’. Want wat is eigenlijk een regionaal museum? Amsterdam is tenslotte ook een regio, merkt Maite op. De locatie heeft invloed op de omstandigheden waaronder een museum werkt, maar bepaalt niet automatisch zijn karakter. “Er zijn verschillen in bereikbaarheid en demografie, maar die bepalen niet wie je bent als museum.”
De kracht van de plek
Toch doet de plek ertoe. Voor Museum MORE speelt de Achterhoek een belangrijke rol in de identiteit van het museum. Maite: “Wij voelen ons sterk verbonden met de Achterhoek. Die combinatie van natuur en kunst is hier heel belangrijk. Veel bezoekers maken van hun komst een compleet dagje uit: ze bezoeken het museum, maar gaan ook wandelen, fietsen of lunchen.”
Bij het Anne Frank Huis werkt die relatie met de omgeving heel anders. De historische locatie ís daar het verhaal. “Wij zijn waarschijnlijk het enige museum ter wereld dat niet veel anders te bieden heeft dan lege kamers,” zegt Ronald. “Het gaat over de afwezigheid. Over wat er niet meer is en over de reden waarom dat niet meer is.” Dat verhaal is onlosmakelijk verbonden met Amsterdam, maar reikt volgens hem veel verder. “Het is het verhaal van een stad. Het is het verhaal van een land. Het is het verhaal van Europa. Het is ook het verhaal van de wereld.” Tegelijkertijd erkent Ronald dat de ligging in het centrum van Amsterdam belangrijk is voor het grote bezoekersaantal. De historische betekenis van de plek en de toeristische dynamiek van de stad komen er rechtstreeks samen. “Als het Anne Frank Huis in de Rivierenbuurt had gestaan, hadden we wellicht minder bezoekers gehad.”
Die verschillende locaties zijn ook terug te zien in de samenstelling van het publiek. Bij Museum MORE komt slechts een klein deel van de bezoekers uit het buitenland, terwijl ongeveer negentig procent van het publiek van het Anne Frank Huis internationaal is. Waar veel mensen bewust naar de Achterhoek reizen voor een museumbezoek als onderdeel van een dagje uit, verblijft het merendeel van de bezoekers van het Anne Frank Huis slechts enkele dagen in Amsterdam. Zo verschillend als die bezoekersstromen zijn, zo vergelijkbaar is de vraag die beide directeuren bezighoudt: hoeveel ruimte geef je mensen om hun eigen museumervaring vorm te geven?
Ruimte om te dwalen
Ondanks de grote verschillen tussen hun musea vinden Maite en Ronald elkaar in hun visie op de bezoeker. Een museum moet volgens hen niet voorschrijven wat iemand moet denken of voelen, maar ruimte laten voor een eigen ontmoeting met een kunstwerk, object of verhaal. Maite vertelt dat Museum MORE bewust terughoudend is met tekst en uitleg. “Veel bezoekers zijn er inmiddels aan gewend dat alles wordt aangereikt. Terwijl wij juist zeggen: kijk maar. Kijk opnieuw.” Een museum moet volgens haar ook durven twijfelen. “Je moet durven zeggen: wij weten het ook niet.”
Ronald herkent die terughoudendheid. In het Guggenheim Museum in New York zag hij bij een schilderij van Gauguin een tekst die nadrukkelijk voorschreef vanuit welk perspectief het werk moest worden bekeken. “Ik kom voor Gauguin. Ik kom niet voor een museumdirecteur of een curator,” zegt hij. “Soms kun je maar beter niets zeggen.”
Voor beiden ligt de kracht van een museumbezoek juist in wat niet vooraf is uitgestippeld. Ronald vertelt over een kennis die in de Hermitage in Sint-Petersburg verkeerd liep en onverwacht in een zaal vol iconen belandde. Hij zag niets van wat hij vooraf had willen bekijken, maar hield aan die omweg wel een blijvende fascinatie voor iconen over. “Het woord dwalen was altijd aan musea verbonden. Je dwaalt door musea.”
De Museumkaart als verbinder
Ook de betekenis van de Museumkaart laat zien hoe verschillend de beide musea functioneren. Bij Museum MORE bezoekt ongeveer 75 procent van het publiek het museum met een Museumkaart. Voor veel mensen verlaagt die de drempel om vaker terug te komen. Maite ziet zelfs bezoekers die kort na elkaar meerdere locaties aandoen. “Ik heb op drie verschillende momenten dezelfde mensen getroffen. Die komen even lunchen, bekijken één of twee schilderijen en gaan weer weg.”
Bij het Anne Frank Huis ligt het aandeel Museumkaartbezoekers vanzelfsprekend lager omdat negentig procent van het publiek uit het buitenland komt. Toch maakt ongeveer een derde van de Nederlandse bezoekers gebruik van een Museumkaart. Ronald ziet vooral een ander soort herhaalbezoek. “Je komt er als kind, je komt er als ouder met je kind en je komt er als grootouder met je kleinkind. Dat zien we veel.”
In beide gevallen verbindt de Museumkaart bezoekers op langere termijn aan een museum. Bij Museum MORE leidt dat soms tot meerdere bezoeken binnen korte tijd, bij het Anne Frank Huis keert het publiek eerder in verschillende levensfasen terug. Die duurzame band roept een bredere vraag op: wanneer gaan mensen een museum werkelijk als hun museum beschouwen?
Betrokkenheid en eigenaarschap
Ondanks hun verschillende omvang werken Museum MORE en het Anne Frank Huis vrijwel volledig met betaalde medewerkers. Museum MORE werkt sinds de opening van de locatie in Delden voor het eerst structureel met vrijwilligers. Zij waren al betrokken bij het museum dat eerder in het pand gevestigd was. Voor Maite is hun inzet daarom niet alleen praktisch belangrijk: ze zorgt ervoor dat het bestaande lokale draagvlak behouden blijft.
Ook Ronald ziet de waarde van vrijwilligers voor de band tussen een museum en zijn omgeving. Hoewel zij binnen het Anne Frank Huis geen rol spelen in de dagelijkse museumoperatie, kunnen vrijwilligers volgens hem betrokkenheid en eigenaarschap creëren. “Mensen krijgen toch het gevoel: het is ook ons museum.” Zo blijkt lokale verankering niet alleen uit bezoekersaantallen of samenwerkingsverbanden. Ze ontstaat ook wanneer mensen uit de omgeving zich medeverantwoordelijk voelen voor een museum en het verhaal dat daar wordt verteld.
Samenwerken, maar niet om het samenwerken
Beide organisaties zoeken actief de verbinding met hun omgeving, al krijgt die samenwerking een andere vorm. Museum MORE heeft sinds Maite er werkt een educatief programma opgebouwd voor basisscholen in de wijde omgeving. Omdat andere kunstmusea relatief ver weg liggen, ziet zij juist daar een duidelijke verantwoordelijkheid. Het streven is dat ieder basisschoolkind uit de omgeving met kunst in aanraking kan komen.
Ronald plaatst tegelijkertijd een kanttekening bij de vanzelfsprekendheid waarmee samenwerking soms als oplossing wordt gepresenteerd. Zeker voor kleinere organisaties kunnen afstemmings- en coördinatieoverleggen veel capaciteit vragen en relatief weinig opleveren. “Denk echt twee keer na: gaat samenwerking mij meer opleveren dan dat het mij gaat kosten?” Samenwerking is voor beiden dus geen doel op zich. Ze moet de band met publiek en omgeving versterken zonder dat de organisatie erin verdwaalt.
De volgende 100 jaar
Aan het einde van het gesprek verschuift de blik naar de toekomst. Maite ziet meerwaarde in een museumsector waarin publieke en private instellingen naast elkaar bestaan en meer van elkaars manier van werken leren. “Het een is niet beter dan het ander. Het is wel echt een andere manier waarop je je organisatie inricht en opereert. Ik zou het mooi vinden als daar veel meer kruisbestuiving ontstaat.”
Ronald verwacht dat ook de betrokkenheid van bezoekers de komende jaren verder zal veranderen. Hij vertelt over kinderen die in een museum in Houston de figuren op een schilderij van Bruegel nadeden. De naam van de kunstenaar vergeten ze misschien, zegt hij, maar die ervaring niet. “Die zullen dat schilderij nooit vergeten.” Daar ligt voor hem een belangrijke opdracht voor musea: niet alleen verhalen overdragen maar vormen van betrokkenheid mogelijk maken die bezoekers echt bijblijven. Dat vraagt ook om een open blik op nieuwe technieken en omgangsvormen, zelfs wanneer die aanvankelijk ongemakkelijk aanvoelen. De vroegere weerstand tegen stripboeken en graphic novels over de Holocaust laat volgens Ronald zien dat vormen die ooit controversieel waren, later alsnog geaccepteerd kunnen raken.
Tussen Amsterdam en de Achterhoek liggen ruim 100 kilometer en grote verschillen in schaal, publiek en omgeving. Maar voor Maite en Ronald begint de toekomst van het museum op dezelfde plek: bij vertrouwen in de bezoeker. Niet alles uitleggen of vastleggen, maar mensen de ruimte geven om te kijken, te dwalen en iets onverwachts te ontdekken. Want uiteindelijk wordt een museum niet alleen bepaald door waar het staat, maar vooral door wat het bij bezoekers in beweging brengt.
Interview: Udo Feitsma
Redactie: Udo Feitsma en Natasha Wiesemann
Foto’s: Mark Rammers
De foto’s zijn genomen in Museum MORE in Gorssel.