Hans Piena Wat we bewaren, bepaalt hoe we later naar onze samenleving kijken.
In 2026 bestaat de Museumvereniging precies 100 jaar. Wat begon als overleg tussen enkele museumdirecteuren en hoogleraren is uitgegroeid tot een landelijke vereniging die vandaag de dag meer dan 500 musea vertegenwoordigt. Al honderd jaar zijn musea via deze vereniging met elkaar verbonden en nauw verweven met de samenleving. In het kader daarvan publiceren wij een serie duo-interviews met museumprofessionals waarbij we dieper ingaan op actuele topics uit de sector. In dit duo-interview ontmoeten twee museumprofessionals elkaar die elk vanuit hun eigen ervaring kijken naar dezelfde kern: hoe verzamel je het dagelijks leven, en hoe zorg je dat het niet verdwijnt?
Hans Piena, conservator bij het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem en professor bij de Vrije Universiteit Amsterdam namens het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (KOG), een ervaren stem in het veld, en Christian van Houwelingen, collectie- en onderzoeksmedewerker van het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht en recent winnaar van de Museum Talentprijs, gaan met elkaar in gesprek over collecties, veranderingen in het vak en de toekomst van het museum.
Wie een museumcollectie ziet als een stille rij objecten achter glas, vergist zich. Achter ieder voorwerp schuilt een keuze: wat bewaren we, wat laten we los, en wie bepaalt eigenlijk wat ‘museumwaardig’ is? In een sector die al 100 jaar verweven is met de samenleving en steeds nadrukkelijker ook met elkaar, ontstaan nieuwe vragen over bewaren, presenteren en betekenis geven.
Een vak dat begint bij fascinatie
Christian beschrijft zijn liefde voor erfgoed als iets dat al vroeg begon: hij groeide op met museumbezoek en raakte gefascineerd door de kracht van objecten om grote verhalen te vertellen. “Met kleine objecten kun je een grote geschiedenis vertellen,” zegt hij. Juist een beschadigd, ogenschijnlijk waardeloos voorwerp kan, mits het verhaal bekend is, opeens veranderen in een venster op een tijdperk. Hij noemt bijvoorbeeld een schoolplaat met waterschade: op zichzelf niets bijzonders, maar afkomstig uit een klaslokaal dat tijdens de watersnoodramp van 1953 onder water stond, wordt het een document van nationale geschiedenis.
Hans’ route naar het museum liep via een andere hoek: archeologie en restauratie. Hij volgde een opleiding meubel- en interieurrestauratie en werkte jarenlang in de praktijk, onder meer aan uiterst bijzondere stukken, zoals een houten wagen uit circa 1500 voor Christus. Uit Armenië, die hij zelf conserveerde. De liefde voor het materiële object en het vakmanschap bleef, maar gaandeweg verschoof zijn focus. Hij wilde niet langer alleen repareren wat kapot was, maar vooral begrijpen wat objecten over mensen vertellen en hoe musea dat verhaal kunnen bewaren.
Twee collecties, twee werelden
Het Nationaal Onderwijsmuseum beheert een indrukwekkende collectie van meer dan 325.000 objecten. Die breedte komt voort uit het Nederlandse onderwijssysteem, waarin verschillende onderwijsrichtingen hun eigen materialen en cultuur ontwikkelen: van katholiek tot hindoeïstisch, van Dalton tot Montessori. Het museum verzamelt alles: schoolagenda’s en schriften, schoolmeubilair, schoolplaten, textielhandwerken én beleidsstukken. Christian noemt het een collectie waarin je letterlijk de ontwikkeling van het denken over kinderen kunt terugzien: van het kind als ‘mini-volwassene’ naar het kind als leerling met eigen behoeften, zichtbaar in de veranderingen in schoolbanken, leermiddelen en pedagogiek.
Hans herkent dat. Het Nederlands Openluchtmuseum zorgt, als ‘het museum van het dagelijks leven’, voor ongeveer 155.000 objecten. Maar waar het museum vroeger vooral passief verzamelde – wachten tot mensen zelf met voorwerpen aanklopten – is de afgelopen decennia een grote omwenteling gekomen. Hans schetst het beeld van een museum dat jarenlang vooral ‘de naaimachine en de trouwjurk’ binnenkreeg: de mooie, keurige objecten waar mensen trots op zijn. Het gevolg: een collectie die veel vertelt over wat mensen willen laten zien, maar weinig over wat ze liever verborgen houden.
Daarom werd het beleid radicaal: het museum moest zelf de samenleving in. Niet alleen om nieuwe doelgroepen te bereiken, maar ook om een vollediger, eerlijker beeld van Nederland te bewaren. Zo verzamelt het Openluchtmuseum tegenwoordig actief bij groepen die zelden in musea komen: daklozen, klusjesmensen, kraamverzorgsters en, heel bewust, ook sekswerkers. Het doel is niet sensatie, maar representatie: “We hebben het in 110 jaar nog nooit over seks gehad,” zegt Hans, “terwijl het een onderwerp is dat iedereen raakt.”
Van voorwerp naar ensemble: het verhaal wordt de collectie
Eén van de opvallendste ontwikkelingen die Hans beschrijft is de verschuiving van losse objecten naar ensembles: niet één voorwerp, maar een samenhangend geheel dat iemands leven vertelt. Bij zulke verwervingen wordt letterlijk álles meegenomen: kleding, tassen, gebruiksvoorwerpen, documenten, maar vooral ook het persoonlijke verhaal. En dat verhaal komt niet langer van de conservator, maar van de maker of gebruiker zelf. Het museum is daarmee minder sturend geworden en meer faciliterend: de eigenaar schrijft en het museum bewaart.
Christian herkent dat vanuit zijn eigen praktijk: hij werkt graag met citaten en persoonlijke perspectieven. In tentoonstellingen wil hij het menselijk verhaal voorop zetten: waarom maakte iemand dit object, wat was het doel, welke overtuiging zat erachter? Dat maakt een tentoonstelling volgens hem niet alleen informatiever, maar ook geloofwaardiger: het voorkomt dat musea betekenissen opleggen die de gebruiker nooit zo bedoeld heeft. Tegelijk ziet hij een valkuil: het verlangen om te veel informatie te geven. ‘Het boek aan de muur’ noemt hij dat; tekst die niemand leest, maar wel ruimte inneemt.
Van zolder tot CC NL: professionalisering en nieuwe rollen
Hans beschrijft hoe de sector ingrijpend veranderde sinds hij begon. Depots lagen vroeger letterlijk op zolders, zelfs bij grote musea. Klimaatbeheersing was minimaal; schade was eerder regel dan uitzondering. De grote ommekeer kwam met het Deltaplan voor het Cultuurbehoud en het groeiende besef dat restauratie alleen niet genoeg is: musea moesten preventief gaan werken.
Daarmee ontstond ook een nieuwe professionele laag: de behoudsmedewerker, collectiebeheerder of behoudsmanager – een rol die volgens Hans cruciaal werd omdat de taak te groot werd voor alleen conservatoren en restauratoren. Nu is in veel musea het behoud en beheer grotendeels in handen van deze gespecialiseerde functies, in samenwerking met conservatoren.
Christian ziet dezelfde realiteit, maar in een ander tempo en onder andere omstandigheden. Het Onderwijsmuseum werkt met een klein team: drie mensen zijn verantwoordelijk voor collectie, registratie en tentoonstellingen, ondersteund door ongeveer twintig collectievrijwilligers. Op dit moment richt Christian zich vooral op digitalisering, de overstap naar een nieuw registratiesysteem en het openbaar maken van collectiegegevens via websites en platforms. Digitalisering is daarbij niet alleen een technische stap, maar ook een manier om samenwerking en toegankelijkheid te vergroten.
Wat brengt de toekomst? Technologie én samenwerking
Als de heren vooruitkijken, liggen de accenten opvallend dicht bij elkaar. Christian verwacht dat techniek, bijvoorbeeld AI, steeds meer kan ondersteunen bij herkenning en beschrijving van objecten. Maar hij benadrukt dat de menselijke rol essentieel blijft: betekenis geven, keuzes maken, context begrijpen. Wel ziet hij dat publieksdeelname steeds belangrijker wordt: bezoekers en betrokkenen zullen vaker hun eigen interpretaties en verhalen toevoegen, en dat wordt onderdeel van de collectie zelf.
Hans kijkt op systeemniveau: hij ziet kansen voor een museumsector die beter op elkaar afstemt. Nu steeds meer collecties digitaal ontsloten worden, wordt zichtbaar waar instellingen overlappen en waar hiaten zitten. Dat biedt ruimte voor efficiëntere taakverdeling en bewuster collectiebeleid. Musea werken al samen in behoud en beheer, maar Hans hoopt dat er ook meer gezamenlijke strategie ontstaat tussen conservatoren en directies: wie bewaart wat, en hoe benut je elkaars kennis? Niet alleen om dubbelingen te voorkomen, maar ook om verborgen betekenislagen in collecties te ontdekken.
Persoonlijke favorieten
Tussen de duizenden objecten in beide collecties zitten ook persoonlijke favorieten: voorwerpen die volgens Hans en Christian verrassend veel vertellen over mens en maatschappij. Christian kiest voor een bijzonder voorwerp, namelijk een droogzwemapparaat. Een object dat kinderen in de vroege 20e eeuw hielp leren zwemmen, niet in water maar op het droge. Kinderen lagen op een constructie met plankjes of stoffen banden en oefenden zwembewegingen alsof ze echt zwommen. Het object vertelt niet alleen iets over onderwijs, maar ook over Nederland als waterland en de manier waarop samenleving en onderwijs praktische problemen oplosten. De discussie over wie de verantwoordelijkheid heeft, het schoolzwemmen versus zwemles die privé moet worden geregeld, is nog steeds actueel. En dat is precies waarom het belangrijk is dat het Onderwijsmuseum blijft bestaan.
Hans kiest een klapschaats: een relatief modern object, maar voor hem een krachtig symbool van vernieuwing. Allereerst is het een typisch Nederlands voorwerp, voortgekomen uit onze schaatscultuur, dat vervolgens de hele wereld heeft veroverd. De klapschaats werd ontwikkeld door de bewegingswetenschapper Gerrit Jan van Ingen Schenau (geb. 1944), maar op het hoogste niveau durfde juist de jeugd het experiment als eerste aan. In 1996 was het met name Tonny de Jong die als lid van het Nederlandse vrouwenteam succesvol was met de introductie en het gebruik van de klapschaats, waarmee de revolutie in de schaatswereld in gang werd gezet. Haar successen dwongen de internationale concurrentie, waaronder de Duitse Gunda Niemann, al snel om ook op de klapschaats over te stappen. Voor Hans zit daarin een duidelijke parallel met museumland: je hebt permanent een constructieve tandem van jong en oud nodig om verder te ontwikkelen. Precies zoals in de sport durven vernieuwers pas echt door te breken als ervaring en experiment elkaar versterken.
Noot van de redactie: per 1 mei 2026 is Christian werkzaam als datacleaner bij het Erfgoedhuis Zuid-Holland in Delft.
Interview: Udo Feitsma
Redactie: Udo Feitsma en Natasha Wiesemann
Foto’s: Mark Rammers
De foto’s zijn genomen in het Centraal Museum in Utrecht.