Welke inzichten bieden de Museumcijfers? In deze speciale reeks van 3 vragen aan spreken we met experts uit de sector over hun inzichten op de cijfers en trends. Deze keer maak je kennis met Olaf Peters, Educator bij het Nederlands Openluchtmuseum.

Schoolbezoek door jongeren (13–18 jaar) blijft een uitdaging. Hoe verklaar je dat, en hoe kunnen musea deze groep (opnieuw) blijven motiveren?

Jongeren tussen de 13 en 18 bevinden zich in een levensfase waarin ze kritisch, zelfstandig en vooral sociaal georiënteerd zijn. Een museumbezoek moet daarom meer bieden dan alleen kennisoverdracht. Het moet raken, prikkelen en uitdagen. Jongeren willen zich kunnen verhouden tot het verhaal dat verteld wordt. Als museum moeten we aansluiten bij thema’s die hen nú raken (denk aan identiteit, klimaat, diversiteit) én ruimte geven aan dialoog en eigen interpretatie. De motivatie begint bij relevantie: laat zien waarom het verhaal van gisteren betekenisvol is voor vandaag. 

Ze zoeken naar verbinding met hun eigen leefwereld. Ze willen niet alleen luisteren, maar voelen dat iets over henzelf gaat. In het Nederlands Openluchtmuseum geloven we dat geschiedenis verbindt, juist wanneer je het kunt beleven. Daarom laten we jongeren zelf onderdeel worden van het verhaal: door te wandelen tussen de gebouwen van vroeger, de geur van een bakkerij te ruiken of met hun klas in gesprek te gaan over identiteit, sociale struggles, afkomst of tradities. Door hen (jongeren) actief te betrekken en te laten ontdekken wat geschiedenis vandaag nog met hún leven te maken heeft, ontstaat eigenaarschap en verbinding. Zo maken we geschiedenis relevant en persoonlijk. 


Bijna alle musea bieden educatieve programma’s. Wat zijn volgens jou de grootste kansen of knelpunten om deze educatieve rol de komende jaren nóg meer te versterken?

Voor het Nederlands Openluchtmuseum ligt de kracht van educatie in de combinatie van beleving, verbinding en dialoog. We merken dat jongeren en docenten juist behoefte hebben aan verdieping, maar wel op een manier die aansluit bij de praktijk. De kans ligt in het aanbieden van flexibele, actuele programma’s waarbij jongeren zelf aan zet zijn: als onderzoeker, maker of deelnemer. Samenwerking met scholen, culturele instellingen én jongeren zelf. Door co-creatie ontstaat eigenaarschap en sluiten programma’s beter aan bij de leefwereld van de doelgroep. Tegelijkertijd vraagt dat ook om langdurige samenwerking met scholen en ruimte voor maatwerk, wat in de praktijk tijd en middelen kost. Investeren in educatie betekent investeren in relevantie: hoe beter we aansluiten op de leefwereld van jongeren, hoe sterker de impact. Voor ons is inclusiviteit daarom van extra groot belang, wij zijn er voor alle Nederlanders, waardoor een culturele fit met een school of klas sneller te maken is. 

Jongeren doen zelden iets alleen. Maak museumbezoek iets om samen te doen. Dat kan door groepsopdrachten, interactieve tentoonstellingen of events waar ontmoeting centraal staat. 

Welke rol speelt digitalisering in museumeducatie – nu en in de toekomst?

Digitalisering is geen doel op zich, maar biedt wél enorme kansen om museumeducatie te verdiepen en te verbreden. Van hybride lessen en digitale rondleidingen tot VR-ervaringen en online challenges: technologie kan drempels verlagen en betrokkenheid vergroten, ook buiten de muren van het museum. Tegelijkertijd blijft het fysieke museumbezoek uniek, juist de combinatie van digitaal én analoog kan leiden tot betekenisvolle leerervaringen. De toekomst ligt in blended education: flexibel, interactief en afgestemd op verschillende leerstijlen. 

Digitalisering helpt ons verhalen op nieuwe manieren tot leven te brengen, maar altijd met behoud van het fysieke, tastbare karakter van ons museum. De geur van zeep in het groene kruisgebouw of een ontmoeting met een smid laat zich niet digitaal vervangen.