Investeren in musea is investeren
in de samenleving
De economische waarde van musea is groot. De museumsector realiseerde in 2024 een omzet
van 1,31 miljard euro, waarvan bijna de helft (49%) uit eigen inkomsten komt. Ondanks de huidige
financiële uitdagingen een stijging van 4% ten opzichte van de € 1,26 miljard in 2023. Daarnaast
ontvangen musea in 2024 € 665 miljoen aan subsidies, waarmee overheden investeren in een
sector die aantoonbaar bijdraagt aan regionale en nationale economie. Musea bieden werk aan
bijna 44.000 mensen, waarvan 66% vrijwilligers en stagiairs, en zijn daarmee ook een belangrijke
werkgever en opleidingsplek.
In 2024 zijn er in totaal 30,8 miljoen bezoeken afgelegd aan de 473 musea die zijn aangesloten bij
de Museumvereniging. Daarvan kwam 73% uit Nederland en 27% uit het buitenland, waarmee
musea niet alleen een culturele maar ook een toeristische trekker zijn. De Museumkaart speelt
hierin een belangrijke rol. Het aantal kaarthouders steeg naar een record van 1,5 miljoen (2023:
1,44 miljoen) en was goed voor 31% van alle museumbezoeken.
Musea hebben de toekomst
In 2024 brachten leerlingen uit het basis- en voortgezet onderwijs gezamenlijk bijna 1,6 miljoen
bezoeken aan musea, goed voor gemiddeld 67 bezoeken per 100 leerlingen. Opvallend is ook de
blijvende stijging van het jeugdbezoek in de vrije tijd. Sinds 2019 zijn er bijna 350.000 extra
jeugdbezoeken in de vrije tijd (+9%) afgelegd, vooral bij middelkleine en grote musea.
Museumkaart populair onder jongere doelgroepen
Op 1 januari 2025 is 39% van de Museumkaarthouders 45 jaar of jonger. Met uitzondering van
de 13-25-jarigen, is het aantal Museumkaarthouders in de overige jongere leeftijdsgroepen tussen
2021-2025 toegenomen met 36%. Alhoewel de kaart onverminderd populair blijft onder de oudere
leeftijdscategorieën wordt hun aandeel de afgelopen jaren juist kleiner. Dit komt omdat we de
sterkste groei zien bij kaarthouders met jongere leeftijden waarbij het aandeel jongere kaarthouders
dus toeneemt in het geheel.
Kerncijfers
Musea aangesloten bij de Museumvereniging
Tijdelijke tentoonstellingen, waarvan 87% in het eigen museum
Miljoen museumbezoeken, waarvan 27% uit het buitenland
Miljoen Museumkaarthouders, samen goed voor 31% van het totale bezoek
Museumbezoeken in schoolverband per 100 leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs
Van de collectie is online toegankelijk voor publiek en onderzoek
Van de musea heeft aandacht voor duurzaamheid
Van de musea past de Code Diversiteit & Inclusie actief toe
Werkzame personen, van wie 66% als vrijwilliger of stagiair
Miljard euro omzet, waarvan 49% eigen inkomsten en 51% (overheids)subsidies
Miljard euro kosten, waarvan 69% personeels- of huisvestingskosten
Van de musea heeft een operationeel verlies
Van de kaarthouders is 45 jaar en jonger
1. Musea in Nederland
Musea naar type collectie
In 2024 zijn 473 Nederlandse musea aangesloten bij de Museumvereniging. De musea hebben verschillende typen collecties (figuur 1.1). Sommige musea hebben meerdere typen verzamelingen, zoals een combinatie van kunst en geschiedenis of van wetenschap en natuurhistorie. De meeste musea beschouwen zichzelf, net als in 2023, hoofdzakelijk als geschiedenis- (63%) of kunstmuseum (22%). De kleinste groep musea zijn de 7 volkenkundige musea die Nederland rijk is (1%).
Tip: de figuren zijn interactief. Beweeg met je cursor over de verschillende elementen om de cijfers te zien. Wil je focussen op een bepaalde combinatie? In de legenda kan je elementen aan- en uitklikken.
Figuur 1.1 Musea naar type collectie, 2024*
Hoewel geschiedenismusea veruit de grootste groep vormen, nemen zij relatief minder bezoek en omzet voor hun rekening (tabel 1.1). In het aandeel bezoek zijn geschiedenis- en kunstmusea namelijk redelijk in balans en zorgen ze respectievelijk voor 43% en 40% van het totale museumbezoek en beiden 41% van het Museumkaartbezoek. Kunstmusea zijn, hoewel ze slechts 22% van de totale museumpopulatie uitmaken, goed voor het grootste deel (46%) van de totale museale omzet van 1,31 miljard euro. Deze omzet is exclusief één museum met extreem afwijkende financiële resultaten, die niet representatief zijn voor de sector als geheel.
Het verschil in omzet tussen deze kunstmusea en de geschiedenismusea (38%) is even groot als in 2023, toen dit 47% versus 37% bedroeg. Kunstmusea zijn dus, net als in voorgaande jaren, over het algemeen grote musea die relatief goed bezocht worden.
Tabel 1.1 Musea naar type collectie, omzet en (Museumkaart)bezoek, 2024
Regionale spreiding musea
De 473 musea zijn niet gelijk over Nederland verdeeld (figuur 1.2). De provincie Noord-Holland telt 97 musea (21% van het totaal aantal musea), gevolgd door Zuid-Holland met 85 musea (18% van het totaal) en Gelderland met 63 musea (13% van het totaal). Aan de 473 musea worden in 2024 in totaal 30,8 miljoen bezoeken afgelegd. De musea in Noord-Holland trekken het meeste bezoek. In totaal gaat het om 12,6 miljoen bezoeken (41% van het totaal). De regio Amsterdam vormt binnen de provincie Noord-Holland het zwaartepunt voor wat betreft het museumbezoek. Aan de vijf grootste Amsterdamse musea worden samen 6,7 miljoen bezoeken afgelegd in 2024. Dat is meer dan de helft van het totale bezoek aan de musea in de provincie (53%) en tevens maar liefst 22% van het landelijke museumbezoek. Het zijn vooral de centraal gelegen provincies waar het museumbezoek hoog is. Na Noord-Holland volgen Zuid-Holland, Gelderland en Utrecht in het aantal museumbezoeken. Samen zijn deze vier provincies goed voor 24,9 miljoen bezoeken (81% van het totaal).
Figuur 1.2A Regionale spreiding van het aantal musea (links) en bezoeken x 1.000 (rechts), 2024
Figuur 1.2B Regionale spreiding van het aandeel musea (links) en bezoeken (rechts), 2024
In alle provincies zijn geschiedenismusea de meest voorkomende categorie (figuur 1.3). Het aandeel van dit type museum in het totaal per provincie loopt uiteen van 55% in Limburg tot 100% in Flevoland (al telt Flevoland maar 4 musea). Naast Flevoland tellen ook Drenthe en Zeeland relatief weinig kunstmusea; waarbij Drenthe in het geheel geen kunstmusea kent. In Groningen is het aandeel musea voor bedrijf, wetenschap en techniek relatief hoog (17%). Daarentegen ontbreekt er naast een museum voor volkenkunde ook een natuurhistorisch museum. In Drenthe en Zeeland zijn relatief de meeste musea voor natuurhistorie. In slechts vijf provincies is een volkenkundig museum aanwezig en alleen Noord- en Zuid-Holland hebben er meer dan één.
Figuur 1.3 Musea naar type collectie per provincie (aandelen musea per provincie in %), 2024
De grootte(klasse) van een museum wordt bepaald op basis van de jaarlijkse omzet. In 2024 behoort 44% van de musea in Nederland tot de kleine musea (omzet tot 400 duizend euro), 13% tot de middelkleine musea (400 – 800 duizend euro), 26% tot de middelgrote musea (800 duizend – 3,2 miljoen euro) en 17% tot de grote musea (minimaal 3,2 miljoen euro). De grootte van musea loopt sterk uiteen, net als de spreiding naar grootte over het land (figuur 1.4). Zo zijn er in de noordelijke provincies (op Groningen na), en dan met name in Overijssel en Drenthe, relatief veel kleine musea te vinden. De provincies Zuid-Holland en Utrecht hebben daarentegen relatief weinig kleine musea, met respectievelijk 32% en 36% beduidend minder dan het Nederlandse gemiddelde van 44%.
Grote musea zijn er verhoudingsgewijs veel in Zuid-Holland en Noord-Holland (circa 1 op de 4 musea aldaar). In Flevoland is zelfs de helft van de musea groot qua omzet, maar hier gaat het slechts om 2 van de in totaal 4 musea in de provincie. Het aandeel middelkleine musea loopt uiteen van 7% in Drenthe en Zuid-Holland tot 33% in Groningen. Utrecht en Zuid-Holland tellen met circa 35% in verhouding de meeste middelgrote musea.
Figuur 1.4 Musea naar grootteklasse per provincie (aandelen musea per provincie in %), 2024
Tijdelijke tentoonstellingen
In 2024 hebben 400 musea (85% van de musea) één of meerdere tijdelijke tentoonstellingen georganiseerd. Samen organiseerden zij in 2024 2.031 tijdelijke tentoonstellingen, waarvan 87% in het eigen museum, 10% elders in Nederland en 3% in het buitenland. Deze verdeling is vergelijkbaar met eerdere jaren. Vergeleken met 2023 is er een gelijke hoeveelheid musea dat één of meerdere tijdelijke tentoonstellingen op touw heeft gezet, terwijl er toen ten opzichte van 2022 een toename van 3 procentpunt zichtbaar was. In 2019 lag dit aandeel nog een stukje hoger; toen organiseerden liefst negen op de tien musea minimaal één tijdelijke tentoonstelling. Vooral een kleiner aandeel van de kleine en middelkleine musea organiseerde in 2024 ten opzichte van 2019 minstens één tijdelijke tentoonstelling (figuur 1.5). Opvallend is daarnaast dat alle 79 grote musea in 2024 één of meerdere tijdelijke tentoonstellingen hebben georganiseerd.
“Museumbezit is in de regel openbaar en een open bruikleen verkeer tussen musea biedt enorm veel mogelijkheden. Zulks is alleen mogelijk indien de grote musea hier actiever beleid op voeren en kleinere collega-musea niet met onvriendelijke kosten opzadelen.”
– Han Steenbruggen, Directeur-Conservator bij Museum Belvédère
Figuur 1.5 Aandeel musea met tijdelijke tentoonstellingen naar grootteklasse (in %), 2019 en 2024*
2. Bezoeken
Bezoeken in 2024
In 2024 worden aan de 473 musea in totaal 30,8 miljoen bezoeken afgelegd, waarvan 22,5 miljoen uit het binnenland en 8,4 miljoen uit het buitenland. Dit is het tweede (volledige) jaar sinds de coronacrisis dat de musea weer in zijn geheel zijn opengesteld voor publiek. Het totale museumbezoek in 2024 komt net als het jaar daarvoor dicht in de buurt van het niveau van vóór de coronacrisis in 2019 (-5,3%), toen er in totaal 32,6 miljoen museumbezoeken waren (figuur 2.1). In 2020 en 2021 daalde het museumbezoek als gevolg van de coronacrisis fors, om in 2022 weer enigszins te herstellen. Na de toename van het museumbezoek tussen 2022 en 2023, is dit in 2024 vrijwel gelijk gebleven (slechts een lichte daling van 0,2%).
Als er gekeken wordt naar de bezoekcijfers van alleen de 370 musea die in de volledige periode 2016-2024 lid zijn geweest van de Museumvereniging, blijft ditzelfde patroon van herstel in de jaren na de coronacrisis maar stagnatie in 2024 zichtbaar. Ook bij deze groep musea is het totale museumbezoek nog niet volledig op het peil van 2019 (-5,6%).
Figuur 2.1 Gerealiseerd museumbezoek (x 1 miljoen), 2016-2024
Het aantal bezoeken is weliswaar lager dan in 2019, maar dit verschilt per grootteklasse (figuur 2.2). Vooral de kleine en grote musea ontvangen in 2024 minder bezoeken dan in 2019, respectievelijk 20% en 8% minder, en lijken dus minder snel te herstellen van de coronacrisis. Het aantal bezoeken in 2024 aan de groep middelgrote musea is min of meer constant gebleven (1% afname ten opzichte van 2019) terwijl de middelkleine musea flink gegroeid zijn in bezoekcijfers, met een toename van liefst 15%. Vergeleken met een eerder jaar (2023) heeft het aantal bezoeken in 2024 juist minder gunstig uitgepakt voor de groep middelkleine musea (5% daling). Voor de middelgrote (2% toename) en grote musea (1% afname) is dit min of meer gelijk gebleven. De groep kleine musea had met een toename van 8% de grootste groei in het aantal bezoeken ten opzichte van 2023.
Figuur 2.2 Ontwikkeling museumbezoek naar grootteklasse (in %)*
Geografische herkomst van het museumbezoek
Door de coronacrisis was er een flinke dip in het aantal buitenlandse bezoeken in 2020 en 2021. In 2019 kwam 31% van het bezoek nog uit het buitenland; in 2021 was dit nog maar 12% van het totaal. In 2022 en 2023 nam het aandeel alweer toe tot respectievelijk 24% en 26%. Die toename in het aandeel buitenlandse bezoeken zet in 2024 licht door (27%). In absolute cijfers is het totale aantal buitenlandse bezoeken in 2024 ten opzichte van 2023 met ruim 240 duizend toegenomen, en het totale aantal binnenlandse bezoeken met circa 30 duizend afgenomen.
Figuur 2.3 Museumbezoek naar geografische herkomst, 2023 en 2024
Voor de 415 musea die in de volledige periode 2019-2024 lid waren van de Museumvereniging lijkt het herstel dat in 2022 en 2023 zichtbaar was, afgevlakt te zijn in 2024. Dit is vooral bij de binnenlandse bezoeken het geval (figuur 2.4).
Figuur 2.4 Ontwikkeling museumbezoek naar geografische herkomst (index, 2019 = 100), 2019-2024*
In 2024 bestaat het leeuwendeel van het museumbezoek in veel provincies uit binnenlands bezoek (figuur 2.5). Drenthe ontvangt met 97% van de bezoeken het grootste aandeel uit het binnenland, gevolgd door Noord-Brabant met 92%. Behalve in Zeeland en Noord-Holland komt in alle provincies 85% of meer van het bezoek in 2024 uit het binnenland. Logischerwijs ontvangen deze provincies daarmee in verhouding minder buitenlands bezoek. In Zeeland is een kwart van het bezoek buitenlands, maar vooral in Noord-Holland is de situatie geheel anders. Het grote aantal buitenlandse museumbezoeken daar (bijna de helft van al het museumbezoek in de provincie) zorgt ervoor dat het landelijke aandeel buitenlands bezoek ook relatief hoog (27%) ligt.
Figuur 2.5 Museumbezoek naar geografische herkomst per provincie (in %), 2024
Museumbezoek van jeugd en volwassenen
Van het totale aantal museumbezoeken van 30,8 miljoen in 2024 komen er 6,1 miljoen (20%) voor rekening van jeugd tot en met 18 jaar (tabel 2.1). Volwassenen zijn goed voor de resterende 24,8 miljoen bezoeken (80%). Dit is dezelfde verhouding van volwassen en minderjarige bezoekers als in 2022 en 2023.
Tabel 2.1 Museumbezoek van jeugd en volwassenen, 2024
Na 2019 nam het jeugd- en volwassenbezoek sterk af tijdens de coronajaren. Vanaf 2022 herstelde het bezoek weer en dit zette door in 2023. In 2024 valt op dat het jeugdbezoek dichter bij het niveau van 2019 zit (-4%) dan het volwassenbezoek (-8%), maar in tegenstelling tot het volwassenbezoek is jeugdbezoek sinds vorig jaar wel licht afgenomen.
Figuur 2.6 Ontwikkeling museumbezoek jeugd en volwassenen (index, 2019 = 100), 2019-2024*
Na de piek van 2019 daalde het jeugdbezoek in de vrije tijd flink door de impact van de coronamaatregelen in de jaren erna. In 2024 zien we juist een positieve ontwikkeling ten opzichte van de pre-coronajaren. Jeugdbezoek in de vrije tijd (exclusief schoolbezoeken) is onder musea die van 2019 tot en met 2024 lid waren van de Museumvereniging in die periode met 350 duizend toegenomen, een toename van bijna 9%. Alleen bij de middelgrote musea is een andere ontwikkeling te zien, namelijk een afname van 5%. Vooral bij de middelkleine (48%) en in mindere mate bij de grote musea (12%) is een flinke toename te zien van het jeugdbezoek in de vrije tijd (figuur 2.7).
Figuur 2.7 Ontwikkeling jeugdbezoek in vrije tijd (in %), 2019-2024*
“Om de groei van schoolbezoeken te stimuleren is het belangrijk om als museum goed aan te sluiten op het curriculum van het onderwijs (denk aan thema’s zoals burgerschap) en om zoveel mogelijk drempels om naar het museum te komen te beperken (denk aan: vervoer, budget, beschikbaar schoolbegeleiders).”
– Anne Raijmakers, Contentmarketeer bij Stedelijk Museum Breda
3. Museumkaart
Aantal Museumkaarthouders staat op recordhoogte
De stijging naar een recordhoogte Museumkaarthouders in 2023 heeft doorgezet in 2024 naar 1,5 miljoen (figuur 3.1). Het aantal kaarthouders nam toe in de periode 2016-2019, maar tijdens de coronacrisis daalde dit aantal weer tot 1,3 miljoen kaarthouders in 2021. Na de recordhoogte van 1,44 miljoen kaarthouders in 2023 is dit in 2024 dus weer overtroffen met een toename van maar liefst 3,8%. Het aandeel van de Nederlandse bevolking van 5 jaar en ouder dat een Museumkaart bezit is (wel) al geruime tijd constant en schommelt rond de 8% à 9%.
Figuur 3.1 Trends in het aantal Museumkaarthouders (x 1 miljoen), 2016-2024
De bezoekvergoeding voor Museumkaartbezoeken is in 2024 vastgesteld op 63% van de (gewogen) gemiddelde toegangsprijs van het vol betalend bezoek. Deze vergoeding is de afgelopen jaren sterk gestegen. Waar musea in 2021 nog 27 miljoen euro ontvingen, liep dit in 2022 op tot 54 miljoen euro en in 2023 tot 68,8 miljoen euro. In 2024 bereikte de totale vergoeding een nieuw record van 76 miljoen euro. Daarmee is de opbrengst in 2024 niet alleen opnieuw hoger dan het eerdere piekjaar 2019 (toen de teller op 64 miljoen euro stond), maar ook aanzienlijk gestegen ten opzichte van een jaar eerder (2023). Deze vergoeding is in 2024 goed voor meer dan een kwart (26%) van de totale inkomsten uit entreegelden en voor 10% van de totale eigen inkomsten van musea. Deze aandelen zijn vergelijkbaar met eerdere jaren, zowel in de periode voor de coronacrisis als erna.
Bezoek van Museumkaarthouders
Net als het aantal kaarthouders, bereikt ook het aantal bezoeken van Museumkaarthouders in 2024, voor het tweede jaar op rij, een recordhoogte: 9,6 miljoen. Dit is een lichte stijging ten opzichte van de 9,5 miljoen bezoeken in 2023 (+1%). Daarmee ligt het aantal bezoeken van Museumkaarthouders 3% hoger dan in 2019.
In hoofdstuk 2 zagen we dat het totale museumbezoek nog altijd ruim 5 procentpunt lager ligt dan in 2019. In combinatie met de stijging van het aantal Museumkaartbezoeken betekent dit dat kaarthouders relatief vaker hun weg naar musea weten te vinden dan reguliere bezoekers. Het aantal reguliere bezoeken (zonder Museumkaart) ligt in 2024 namelijk 9% lager dan in 2019. Het aandeel Museumkaartbezoeken in het totale museumbezoek laat – met uitzondering van de jaren 2020 en 2021 – een lichte maar gestage stijging zien: van 27% in 2016 naar 31% in 2024 (figuur 3.2).
Figuur 3.2 Trends in het aandeel bezoeken met Museumkaart in het totale aantal bezoeken (in %), 2016-2024
Het gemiddeld aantal bezoeken dat een kaarthouder in 2024 (6,4) aan de musea aflegt, is iets lager dan in 2023 (6,6 bezoeken) en 2019 (6,7 bezoeken). Dit geeft aan dat het aantal kaarthouders relatief harder is gestegen dan het aantal bezoeken met een Museumkaart.
Bezoek Museumkaarthouders naar leeftijd
Volwassenen van 35 jaar en ouder zijn in 2024 goed voor bijna driekwart van het totale aantal bezoeken door Museumkaarthouders (74%, figuur 3.3). Dat aandeel in het bezoek is aanzienlijk groter dan het aandeel volwassenen van 35 jaar en ouder in de Nederlandse bevolking op 1 januari 2024 (59%). Volwassenen maken daarmee relatief veel gebruik van de Museumkaart. Kinderen (0 tot en met 12 jaar), jongeren (13 tot en met 18 jaar) en jongvolwassenen (19 tot en met 34 jaar) zijn in 2024 juist ondervertegenwoordigd in het aandeel bezoeken door Museumkaarthouders. Bij kinderen en jongeren speelt daarbij vermoedelijk mee dat veel musea hen gratis toegang bieden. In de afgelopen twee jaren was in grote lijnen dezelfde procentuele verdeling te zien. In 2019 zag de samenstelling er iets anders uit: Kinderen en jongvolwassenen waren destijds beiden goed voor maar 9% van het bezoek van Museumkaarthouders. Ouderen van 65 jaar en ouder daarentegen namen in 2019 nog 40% van het Museumkaartbezoek voor hun rekening, dat is 4 procentpunt meer dan in 2024. Het aandeel 35-64-jarigen is in 2024 en 2019 bijna hetzelfde: 39% in 2019 en 38% in 2024.
Figuur 3.3 Leeftijdsopbouw van het bezoek van Museumkaarthouders (in %), 2024
Bezoek Museumkaarthouders naar type museum en grootteklasse
In 2024 bezochten Museumkaarthouders kunstmusea en geschiedenismusea ongeveer even vaak (beide 41%, figuur 3.4). Dat is een verschil met voorgaande jaren, toen kaarthouders vaker de weg naar kunst- dan naar geschiedenismusea vonden (in 2022 en 2023 een verschil van 3 procentpunt). Niet-kaarthouders bezoeken in 2024 het vaakst de geschiedenismusea (44%), maar dit aandeel neemt over de tijd geleidelijk af (in 2021 was het nog 49%) ten gunste van bezoeken aan kunstmusea. Het relatieve aantal bezoeken aan de overige drie typen musea blijft voor zowel de kaarthouders als de niet-kaarthouders schommelen rond dezelfde percentages.
Figuur 3.4 Bezoek met Museumkaart en zonder bezoek Museumkaart per type collectie (in %), 2024
Er zit niet veel verschil tussen kaarthouders en niet-kaarthouders in de mate waarin zij kleine dan wel grote musea bezoeken (figuur 3.5). Museumkaarthouders bezoeken iets vaker de middelgrote musea (een verschil van 4 procentpunt), terwijl het aandeel bezoeken aan de grote musea juist iets hoger ligt bij de niet-kaarthouders (een verschil van 5 procentpunt). Het is aannemelijk dat dit komt doordat grote musea relatief meer buitenlandse bezoekers ontvangen, die doorgaans niet in het bezit zijn van een (Nederlandse) Museumkaart.
Figuur 3.5 Bezoek met Museumkaart en bezoek zonder Museumkaart naar grootteklasse (in %), 2024
4. Onderwijs
Het overgrote deel van de musea biedt een of meerdere educatieve programma’s aan. Het aandeel musea met een educatief aanbod schommelt al jaren rond de 90% – op corona-jaar 2021 na (83%). In 2024 gaat het om 89% van de musea. Dit zijn voornamelijk educatieve programma’s voor verschillende typen scholieren, variërend van het basis- tot en met het hoger onderwijs. De educatieve programma’s kunnen daarnaast ook gericht zijn op andere doelgroepen die baat hebben bij prikkelarme voorzieningen, zoals inwoners met bijvoorbeeld autisme, niet-aangeboren hersenletsel of ziekte.
Van het totale aantal gewerkte uren van het museumpersoneel in 2024 bestaat 9% uit het vervullen van educatieve taken. Dit hangt samen met het feit dat veruit de meeste musea leerlingen ontvangen die een bezoek brengen in schoolverband. In 2024 ontvangt 92% van de musea bezoek van basisscholen en 72% bezoek van scholen in het voortgezet onderwijs. Voor beide groepen betekent dit dat de coronadip van 2021 (verder) herstelt; toen waren deze aandelen 77% voor het basisonderwijs en 57% voor het voortgezet onderwijs. Ten opzichte van 2023 is het aandeel musea dat bezoek van basisscholen ontvangt met 2 procentpunt toegenomen, voor het voortgezet onderwijs is het aandeel gelijk gebleven.
Leerlingen in het basis- en het voortgezet onderwijs brengen in 2024 bijna 1,6 miljoen bezoeken aan musea in schoolverband (tabel 4.1). Dit is 21% van het totale jeugdbezoek tot en met 18 jaar in 2024 (7,7 miljoen bezoeken). In totaal zijn het basis- en voortgezet onderwijs in 2024 goed voor gemiddeld 67 schoolbezoeken per 100 leerlingen. Dit is een heel lichte toename ten opzichte van 2023 (toen: 66) en een doorzetting van het herstel na 2021 (destijds slechts 21 schoolbezoeken per 100 leerlingen). Dit aantal blijft echter achter bij de maar liefst 91 schoolbezoeken per 100 leerlingen in 2019: de 2,4 miljoen leerlingen van het basis- en het voortgezet onderwijs bezochten destijds circa 2,2 miljoen keer een museum met school.
“Neurowetenschappelijk onderzoek laat zien dat ervaringen in de tienertijd een blijvende indruk maken, omdat jongeren dingen intens ervaren. Een museum moet een plek worden waar jongeren positieve associaties bij krijgen: waar hun perspectief ertoe doet, waar zij zich gehoord voelen en waar zij mogen zijn.“
– Joëlle Hoogendoorn, Hoofd Co-educatie & Toegankelijkheid bij Nieuwe Instituut
Tabel 4.1 Museumbezoek in schoolverband en jeugdbezoek in de vrije tijd, 2024
In 2024 komt 19% van het totale museumbezoek van kinderen tot en met 12 jaar voor rekening van schoolbezoek met de basisschool (figuur 4.1). Voor jongeren van 13 tot en met 18 jaar is het aandeel schoolbezoek iets groter: 23% van hun museumbezoek is met het voortgezet onderwijs. Het verschil tussen de leeftijdsgroepen in het aandeel schoolbezoek in het totale bezoek was in 2023 kleiner: respectievelijk 19% en 21% van het totale museumbezoek van kinderen en jongeren werd destijds gedaan in schoolverband.
Figuur 4.1 Museumbezoek van kinderen en jongeren in schoolverband en in de vrije tijd (in %), 2024
Het aantal museumbezoeken in schoolverband laat na het duidelijke herstel in de jaren sinds de coronacrisis ook in 2024 ten opzichte van 2023 nog een stijgende lijn zien, al is de trend wel afgevlakt (figuur 4.2). In 2022 was er een toename van 160%, toen het schoolbezoek van een half miljoen in 2021 naar 1,3 miljoen in 2022 steeg. In 2023 nam dit toe met 200 duizend schoolbezoeken en in 2024 kwamen hier weer bijna 60 duizend schoolbezoeken bij. Wanneer we een iets langere horizon nemen, zien we dat het schoolbezoek in 2024 op 71% van het aantal van 2019 zit.
Figuur 4.2 Trends in het aantal museumbezoeken in schoolverband (index, 2019 = 100), 2019-2024*
Tussen 2019 en 2024 nam het aantal schoolbezoeken sterker af in het voortgezet onderwijs dan in het basisonderwijs: een daling van 31% tegenover 26% (figuur 4.3 en 4.4). In absolute aantallen betekent dit een terugloop van circa 1,0 miljoen naar 706 duizend bezoeken in het voortgezet onderwijs en van bijna 1,2 miljoen naar 879 duizend in het basisonderwijs. Het herstel dat de afgelopen jaren zichtbaar was na de coronaperiode, zet in 2024 door, zij het in afgezwakte vorm. Opvallend is dat het aantal schoolbezoeken nog (wel) een lichte stijging laat zien ten opzichte van 2023, terwijl het totale bezoek aan musea in 2024 vrijwel gelijk is gebleven.
Figuur 4.3 Museumbezoek in schoolverband basisonderwijs (x 1.000), 2016-2024
Figuur 4.4 Museumbezoek in schoolverband voortgezet onderwijs (x 1.000), 2016-2024
5. Collectiebeheer & Digitalisering
Collectiebeheer
Museale collecties zijn opgebouwd uit eigen aankopen en permanente bruiklenen (objecten die langer dan 5 jaar in bruikleen zijn). Tijdelijke bruiklenen (objecten die korter dan 5 jaar in bruikleen zijn) tellen hier niet in mee. De leden van de Museumvereniging hebben in 2024 in totaal circa 94 duizend objecten tijdelijk in bruikleen. Ten opzichte van de totale collectie die musea in de tentoonstellingsruimten, in het depot of in langdurige bruikleen heeft of tijdelijk in bruikleen heeft gegeven, komt dit neer op slechts 0,1%.
Wat betreft eigenaarschap zijn (binnenlandse) particulieren veruit de grootste leverancier van deze objecten in tijdelijke bruikleen. Meer dan de helft van alle tijdelijke objecten komt van particulieren (figuur 5.1). Circa 30% van de objecten in tijdelijke bruikleen is daarnaast afkomstig van andere musea; voornamelijk binnenlandse. Ook het Rijk, de gemeenten, de provincies en bedrijven zorgen elk voor een aandeel van de objecten in tijdelijke bruikleen.
Figuur 5.1 Objecten in tijdelijke bruikleen (minder dan 5 jaar) naar eigenaar (in %), 2024
Figuur 5.2 Gemiddelde verdeling eigen collectie naar locatie (in %), 2024
Het overgrote deel van de museumobjecten bevindt zich in het depot: in 2024 is circa 96% van alle geregistreerde objecten ondergebracht in de depots van musea. Dit hoge percentage wordt sterk beïnvloed door enkele grote musea met relatief zeer omvangrijke collecties in het depot. Daarom is in figuur 5.2 de ongewogen gemiddelde verdeling opgenomen. Hieruit blijkt dat, gemiddeld genomen, ongeveer twee derde van de collectie zich in het depot bevindt en dat iets meer dan een derde van de objecten daadwerkelijk in de tentoonstellingsruimten van musea wordt gepresenteerd.
Opvallend is verder dat musea in 2024 gemiddeld genomen aanzienlijk vaker (bijna twee keer zo vaak) objecten gedurende het jaar hebben verplaatst naar het depot (bijvoorbeeld objecten die eerder tentoongesteld waren, in bruikleen waren gegeven of recent zijn verworven), dan dat er objecten uit het depot zijn gehaald om te worden tentoongesteld, in bruikleen te worden gegeven, verkocht te worden of te worden geretourneerd aan landen van herkomst.
Digitalisering
“Behoud en registratie zijn de basis van digitalisering in musea, maar de vernieuwing zit in beleving en participatie. Met projecten als Moving Stories zie je dat digitalisering verhalen ontsluit die anders verborgen blijven. De toekomst ligt in co-creatie: samen verhalen maken en beleven, mét en voor toekomstige generaties.”
– Chantal Perlee, Projectleider Digitale Innovatie Moving Stories_we create bij Landhuis Oud Amelisweerd
Digitaliseren van een object betekent, naast het opnemen in een collectie-informatiesysteem, dat het object digitaal wordt gemaakt door middel van (3D) scans, films, foto’s of andere digitaliseringsvormen. Objecten die al in digitale vorm zijn ontstaan (born digital) tellen ook mee. Dit is slechts de eerste stap in het digitaliseringsproces: na deze initiële omzetting is een object doorgaans nog niet direct online raadpleegbaar voor het publiek.
Gezamenlijk hebben musea in 2024 inmiddels 78% van de collectie opgenomen in hun collectie-informatiesysteem én gedigitaliseerd. De laatste stap – het online beschikbaar stellen voor publiek – biedt echter nog ruimte voor verdere groei: in 2024 is 71% van de collecties daadwerkelijk online toegankelijk. Dit aandeel neemt de laatste jaren wel gestaag toe. Waar in 2015 slechts 23% van de collecties online te raadplegen was, is dat in 2024 dus al 71%. Ten opzichte van 2023 is het aandeel met 1% toegenomen. Deze ontwikkeling laat zien dat de grootschalige en jarenlange investeringen van musea in digitalisering steeds meer hun vruchten afwerpen.
De mate waarin de collectie via internet toegankelijk is gemaakt voor het publiek, hangt sterk samen met de grootte van het museum. Grote musea lopen met 78% in 2024, net als in voorgaande jaren, duidelijk voor op de rest (zie figuur 5.3). Dit aandeel is ten opzichte van 2023 echter nog maar licht (1 procentpunt) toegenomen. Bij kleine en middelkleine musea is de groei in digitalisering sterker. Voor kleine musea is het aandeel van voor het publiek online toegankelijke collecties toegenomen van 17% in 2023 naar 28% in 2024. Voor middelkleine musea is dit toegenomen van 21% naar 34% in dezelfde periode. Opvallend is dat het aandeel van de collectie dat via internet toegankelijk is bij middelgrote musea in 2023 nog 30% bedroeg, maar in 2024 is gedaald naar 24%.
Figuur 5.3 Aandeel collectie dat via internet voor het publiek toegankelijk is naar grootteklasse (in %), 2024*
Musea hebben de afgelopen jaren vanuit verschillende middelen geïnvesteerd in de digitalisering van de collectie. Doorgaans doen zij dit vanuit eigen middelen, voor musea van alle grootteklassen komt dit neer op 56 à 57% (figuur 5.4). De grote musea blijken de weg naar subsidies voor digitalisering beter te vinden dan de andere musea, zo valt op te maken uit het verschil van circa 6 procentpunt. Dit verschil was in 2023 nog bijna 10 procentpunt; kleinere musea weten dus vaker subsidies voor digitalisering te verkrijgen dan het jaar ervoor. Waar in 2023 nog 19% van de kleine musea helemaal geen middelen aan digitalisering besteedden, is dit in 2024 gedaald naar 13%. Deze ontwikkeling draagt bij aan een grotere toegankelijkheid, een breder publieksbereik en een duurzamer beheer van de museumcollectie. Onder de grote musea geeft slechts 2% van de musea in 2024 aan helemaal geen middelen te besteden aan digitalisering.
Figuur 5.4 Investeringen in digitalisering naar type middelen en grootteklasse (in %), 2024
Online activiteiten
Na het opheffen van de coronamaatregelen is de noodzaak voor een ruim online aanbod grotendeels verdwenen. Waar in 2020 en 2021 nog circa 80% van de musea minstens één online activiteit aanbood – variërend van virtuele rondleidingen tot online workshops en cursussen – zien we sindsdien een duidelijke afname: in 2024 ligt dit aandeel op 51%. Grote musea waren tijdens de coronajaren het meest actief met het aanbieden van online activiteiten (98% in 2021), terwijl kleine musea toen aanzienlijk achterbleven (59%). Sinds 2022 is dit aandeel in vrijwel alle grootteklassen jaar op jaar gedaald, maar die trend zet zich in 2024 slechts gedeeltelijk voort. Alleen bij de middelkleine musea loopt het aandeel aanbieders van online activiteiten nog (sterk) terug, van 63% naar 45%. Bij de grote(re) musea blijft dit aandeel min of meer gelijk ten opzichte van 2023, terwijl opvallend genoeg de kleine musea juist een lichte toename laten zien: van 29% in 2023 naar 32% in 2024 (figuur 5.5).
“We merken dat jongeren en docenten juist behoefte hebben aan verdieping, maar wel op een manier die aansluit bij de praktijk. De kans ligt in het aanbieden van flexibele, actuele programma’s waarbij jongeren zelf aan zet zijn: als onderzoeker, maker of deelnemer. Investeren in educatie betekent investeren in relevantie: hoe beter we aansluiten op de leefwereld van jongeren, hoe sterker de impact.”
– Olaf Peters, Educator bij Nederlands Openluchtmuseum
Figuur 5.5 Musea die ten minste één online activiteit aanbieden, 2023 en 2024
6. Duurzaamheid
In 2024 geven 355 van de 473 musea (75%) aan dat er binnen het museum aandacht is voor duurzaamheid en de impact van de activiteiten van het museum op het klimaat. Deze aandacht kan zijn door middel van bijvoorbeeld verduurzaming van het museale pand of een duurzame tentoonstellingsproductie, maar ook door het inzetten op het vergroten van bewustwording bij het publiek en (andere) belanghebbenden door bijvoorbeeld tijdelijke tentoonstellingen of educatieve randprogrammering. Van de kleine musea heeft 77% aandacht voor duurzaamheid, gevolgd door de middelkleine en middelgrote musea (beide circa 90%). Voor de grote musea geldt dit zelfs voor vrijwel alle instellingen (99%).
In totaal geven 296 (van de 355) musea met aandacht voor duurzaamheid (83%) aan dat duurzaamheid ook expliciet onderdeel is van het beleid en hebben 214 musea (72%) ten minste één persoon binnen de organisatie die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van dat duurzaamheidsbeleid. Duurzaamheid is bij musea van verschillende grootteklassen bijna even vaak onderdeel van het beleid: van 81% bij kleine tot 87% bij grote musea. Wel is er bij kleine musea minder vaak expliciet één persoon binnen de organisatie verantwoordelijk voor het uitvoeren van dit beleid: 68% bij kleine versus 81% bij grote musea (figuur 6.1).
Figuur 6.1 Musea met een verantwoordelijke voor duurzaamheidsbeleid naar grootteklasse (in %), 2024*
“Om duurzaamheid structureel te borgen moet je het meenemen in al je plannen en contracten. Als het daarin standaard een thema is, begint het vanzelf onderdeel van je bedrijfsvoering te worden. Kunst moet je niet reduceren tot het maatschappelijke of ethiek, je manier van werken wel.“
– Lisa Klompe, Projectleider Tentoonstellingen en Duurzaamheid bij Fries Museum & Keramiekmuseum Princessehof
De musea zonder aandacht voor duurzaamheid en de impact op het klimaat (12%) geven hiervoor meerdere redenen op. De belangrijkste reden is dat musea over te weinig personeel beschikken; maar liefst de helft van deze musea voert dit als reden op (figuur 6.2). Verder zijn een gebrek aan financiële middelen (41%) en tijd (34%) ook vaak een belemmering voor musea om actief met duurzaamheid aan de slag te gaan. De musea zonder aandacht voor duurzaamheid zijn voornamelijk de kleine musea (71%), wat begrijpelijk en ook verklaarbaar is door hun vaak beperkte personele en financiële middelen (zie ook hoofdstukken 8 en 9). Opvallend is daarnaast dat ‘Anders’ relatief vaak genoemd wordt (17%); waarbij meestal wordt verwezen naar gebouwisolatie – wat doorgaans onder de verantwoordelijkheid van een beheerder valt en dus buiten de invloed van het museum zelf ligt.
Figuur 6.2 Redenen dat musea geen aandacht hebben voor duurzaamheid (in %), 2024*
Van de musea die aandacht hebben voor duurzaamheid en de impact op het klimaat, heeft slechts 7% de ecologische of CO₂-voetafdruk laten bepalen (figuur 6.3). De ecologische voetafdruk van een museum laat zien hoeveel natuur nodig is voor alles wat het gebruikt, zoals energie, materialen en afvalverwerking. De CO₂-voetafdruk gaat specifiek over de uitstoot van broeikasgassen door bijvoorbeeld verlichting, verwarming en transport van kunstwerken. Naast deze 7% mét een voetafdruk geeft 20% aan dit nog niet gedaan te hebben, maar het wel van plan te zijn, terwijl meer dan de helft (55%) dit niet van plan is en 18% het niet weet. Grote musea hebben aanzienlijk vaker een voetafdruk laten bepalen (14%) of zijn dit van plan (32%).
Figuur 6.3 Aandeel musea dat een ecologische of CO₂-voetafdruk heeft laten bepalen (in %), 2024*
Verder meldt 15% van de musea met aandacht voor duurzaamheid dat ze doorlopend cijfers bijhouden over de impact van duurzaamheidsmaatregelen, tegenover 69% die dit niet doet en 16% die het niet weet. Ook geeft 43% in 2024 aan duurzaamheid onder de aandacht te hebben gebracht om bewustwording en duurzaam gedrag bij het publiek te stimuleren (figuur 6.4). Grote(re) musea doen dit vaker dan kleine(re): zowel bij het meten van impactcijfers als bij het stimuleren van bewustwording ongeveer twee keer zo vaak.
Figuur 6.4 Aandeel musea dat duurzaamheid onder de aandacht heeft gebracht (in %), 2024*
“Musea kunnen een rol spelen in bewustwording rond klimaat, dit gebeurt al bij een heel aantal musea. Of het nu naar het publiek toe is of onderling door elkaar tips en adviezen te geven.“
– Lars Rustenburg, Directeur bij Oorlogsmuseum Medemblik
7. Diversiteit & Inclusie
Code Diversiteit & Inclusie
De Code Diversiteit & Inclusie is een gedragscode van, voor en door de Nederlandse culturele en creatieve sector, gericht op het representeren van de diversiteit binnen de samenleving. De richtlijn is toepasbaar op de zogeheten 4 P’s: Personeel, Publiek, Programma en Partner. Het grootste gedeelte van de musea (80%) geeft aan de Code Diversiteit & Inclusie actief toe te passen in 2024.
In figuur 7.1 is te zien dat van deze musea het grootste gedeelte de code toepast op het gebied van personeel (88%), gevolgd door publiek (83%) en programma (75%). De partners waarmee het museum samenwerkt, worden maar door iets meer dan de helft van de musea die de code toepassen (56%) genoemd. Grotere musea lopen voorop in de toepassing van de code op alle vier de thema’s (figuur 7.2). Dit blijkt vooral uit het gebruik van de code voor het programma (93% van de grote versus 62% van de kleine musea) en voor partners (79% van de grote versus 40% van de kleine musea).
Figuur 7.1 Gebieden waar de Code Diversiteit & Inclusie toegepast wordt (in %), 2024*
Figuur 7.2 Gebieden waar de Code Diversiteit & Inclusie toegepast wordt naar grootte (in %), 2024*
Van de musea die de Code Diversiteit & Inclusie niet actief toepassen, geeft circa een derde (32%) aan dit (niet) te doen omdat het geen prioriteit is voor het museum (figuur 7.3). Verder worden te weinig personeel of te weinig tijd met respectievelijk 27% en 23% vaak als reden genoemd. Van de musea die aangeven de code niet actief toe te passen, gaat het in de meeste gevallen om kleine musea (74%). Dit sluit aan bij de opgegeven redenen, zoals geen prioriteit of onvoldoende tijd, personeel of financiële middelen. Het aandeel musea dat de categorie ‘Anders’ noemt (19%) verwijst naar uiteenlopende aanvullende redenen, zoals het benadrukken dat iedereen welkom is of de beperkte omvang van de organisatie.
Figuur 7.3 Redenen dat musea de Code Diversiteit & Inclusie niet actief toepassen (in %), 2024*
Directie
Directie is onder de musea bijna gelijk verdeeld tussen vrouwen en mannen (figuur 7.4). Vrouwen representeren gezamenlijk net iets meer dan de helft (51%) van de directie in musea tegenover 49% mannen. In 2024 maken personen met overige genderidentiteit nog geen deel uit van museumdirectie.
“Het is belangrijk dat medewerkers van verschillende afdelingen en niveaus niet alleen begrijpen wat het belang is van diversiteit & inclusie voor het bestaan van hun museum maar ook hoe zij daar zelf een verantwoordelijkheid in hebben.“
– Shivan Shazad, Manager Diversiteit & Inclusie bij Rijksmuseum
Figuur 7.4 Genderverdeling directie musea (in %), 2024*
8. Personeel
Omvang en ontwikkeling personeel
Het aantal werkzame personen bij de 473 musea groeit in 2024 tot bijna 44 duizend, een toename van ruim 2.100 personen ten opzichte van 2023 (ruim 5%). Deze toename is groter dan de toename van de personeelsinzet in termen van fte’s (+1,7%). Hiermee is zowel het aantal werkzame personen als fte’s hoger dan in 2019, het piekjaar voor de coronacrisis. Het percentage ziekteverzuim van het personeelsbestand ligt in 2024 op 5,3%, iets lager dan het percentage in 2023 (5,7%). Het ziekteverzuim zit daarmee al sinds 2020 op of rond de 5%, na de constante (lichte) toename in de jaren daarvoor (in 2016 was dit nog 3,5%).
Op een kleine dip in de coronajaren na kunnen de musea steevast rekenen op de inzet van vrijwilligers en stagiairs. In totaal is 66% van de werkzame personen in 2024 (ruim 29 duizend personen) namelijk vrijwilliger of stagiair. Het aantal fte’s voor vrijwilligers en stagiairs is ten opzichte van 2023 iets sterker toegenomen dan het aantal fte’s van ingehuurd personeel en personeel in loondienst: meer dan 6% tegenover 0,1%. Het aandeel musea dat primair afhankelijk is van vrijwilligers en stagiairs – gedefinieerd als het hebben van maximaal 0,5 fte aan betaald personeel – is (en schommelt al jaren rond de) 22%.
Figuur 8.1 Ontwikkeling fte’s naar grootteklasse (in %)*
Bij de musea die in de periode 2019–2024 lid waren van de Museumvereniging, is het aantal fte’s in 2024 in alle grootteklassen toegenomen ten opzichte van 2019, met uitzondering van de kleine musea. In totaal gaat het om een verschil van 859 fte’s, wat overeenkomt met een toename van 8,1%. De ontwikkeling van het aantal fte’s tussen 2019-2024 enerzijds en 2023-2024 anderzijds verschilt per grootteklasse van het museum (figuur 8.1). Bij de kleine musea nam het aantal fte’s tussen 2019 en 2024 af (-19%), terwijl bij de middelkleine (23%), middelgrote (3%) en de grote musea (9%) juist een toename te zien is van het aantal fte’s. De periode 2023-2024 laat een ander patroon zien: bij grote musea is het aantal fte’s gelijk gebleven, terwijl bij andere musea het aantal fte’s licht is gestegen (met 4% tot 7%).
Samenstelling van het personeel
Bijna de helft (48%) van het personeel (in aantal fte’s) heeft een vast dienstverband (figuur 8.2). Dit is vergelijkbaar met de voorgaande twee jaren en een afname ten opzichte van 2021 (destijds: 53%). De aandelen fte’s personeel in overige dienstverbanden zijn ook vergelijkbaar met 2023. Een kwart (25%) van de totale fte’s in 2024 bestaat uit vrijwilligers of stagiairs, 18% valt onder een tijdelijk dienstverband en 9% bestaat uit ingehuurd personeel.
Figuur 8.2 Samenstelling personeel naar fte (in %), 2024
Tussen 2019 en 2024 zijn er per type dienstverband verschillen te zien in de ontwikkeling van het aantal fte’s (figuur 8.3). De omvang van het aantal fte’s in tijdelijke dienst is met 42% toegenomen. Deze ontwikkeling komt mede voort uit de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans per 1 januari 2020. Als gevolg daarvan hebben de musea meer payrollers in tijdelijke dienst aangenomen. Tussen 2019 en 2024 is ook het aantal fte’s van personeel in vaste dienst (+1%) en van ingehuurd personeel (+3%) toegenomen. Het aantal fte’s voor vrijwilligers en stagiairs (-4%) is juist afgenomen tussen 2019 en 2024.
Figuur 8.3 Ontwikkeling fte’s naar type dienstverband (in %), 2019-2024*
Figuur 8.4 laat de verdeling van het aantal werkzame personen en de verdeling van het aantal fte’s zien per type collectie. Bij de geschiedenismusea zijn relatief veel personen werkzaam (57%). Dat heeft te maken met de relatief grote inzet van vrijwilligers en stagiairs bij die musea. Een kwart van de personen werkt bij de kunstmusea en nog eens 10% bij de musea voor bedrijf, wetenschap en techniek. Kijk je naar de verdeling van het aantal fte’s dan is de verdeling tussen de geschiedenis- en kunstmusea gelijkwaardiger: 42% van de fte’s wordt vervuld bij de geschiedenismusea tegenover 37% bij de kunstmusea. Deze aandelen zijn vergelijkbaar met die van de afgelopen twee jaren.
Figuur 8.4 Aantal werkzame personen en fte’s per type collectie (in %), 2024
“Het is essentieel dat niet alleen budget wordt gereserveerd voor ontwikkeling, maar ook formatie. Zonder fte’s die expliciet gericht zijn op innovatie en strategie blijft vernieuwing iets dat afhankelijk is van toevallige beschikbaarheid van mensen of middelen en persoonlijke bevlogenheid.“
– Jan Pieter de Baat, Manager Financiën en I&A bij Nederlands Openluchtmuseum
Functieverdeling
Hoewel het aantal fte’s in 2024 is toegenomen ten opzichte van 2023 (net als in 2023 ten opzichte van 2022) verandert er aan de functieverdeling weinig (figuur 8.5). Het grootste deel van het personeel is werkzaam in publiek en presentatie (30%), gevolgd door 22% in bedrijfsvoering en 18% in collectie.
Figuur 8.5 Functieverdeling van het personeel (in %), 2023 en 2024
Museum cao
Van de fte’s in loondienst van musea valt 58% onder de Museum cao (figuur 8.6). Dit is een daling van 5 procentpunt ten opzichte van 2023, waarmee de toename van de afgelopen jaren in dit aandeel is gestopt. Deze daling betekent echter niet dat minder musea de Museum cao zijn gaan volgen: het aandeel musea dat de Museum cao hanteert zit in 2024 net als in 2023 rond de 40% en het aantal fte’s bij deze musea nam zelfs licht toe (van in totaal circa 4.700 naar 4.900). De afname in het (markt)aandeel komt echter tot stand doordat het aantal fte’s in loondienst bij musea met een andere cao sterker groeide dan bij musea met de Museum cao. Voornamelijk het aantal fte’s in loondienst onder andere cao’s is sterk toegenomen, waarmee het marktaandeel hiervan met 10 procentpunt is toegenomen ten opzichte van 2023. Kortom: de daling van het aandeel fte’s in loondienst onder de Museum cao is vooral het gevolg van relatieve groei bij andere cao’s en samenstellingseffecten, niet van een afname in gebruik van de Museum cao zelf.
Figuur 8.6 Verdeling cao’s (in %), 2023 en 2024
9. Financiën
Omzet
De totale omzet van alle musea in 2024 bedraagt 1,31 miljard euro (tabel 9.1), een toename van 4% ten opzichte van de 1,26 miljard euro omzet van 2023. De omzet in 2024 is ook 23% hoger dan de 1,06 miljard euro van 2019. Indien alleen gekeken wordt naar de musea die in de volledige reeks voorkomen is de omzet in de periode 2019-2024 vergelijkbaar gestegen met 22%. De totale inkomsten van de museumsector stijgen de afgelopen jaren dus weer duidelijk. De omzet bestaat in 2024 net als in 2023 voor 49% uit eigen inkomsten en voor 51% uit overheidssubsidies (figuur 9.1). De gepresenteerde cijfers in dit hoofdstuk zijn exclusief één museum met extreem afwijkende financiële resultaten, die niet representatief zijn voor de sector als geheel.
“De balans in de financiële mix van inkomsten zit niet alleen in de herkomst van de middelen, maar ook in het omgaan met die middelen. Eigen inkomsten maken extra innovatie en investeringen mogelijk, subsidie garandeert continuïteit.“
– Jan Pieter de Baat, Manager Financiën en I&A bij Nederlands Openluchtmuseum
Figuur 9.1 Verdeling van de omzet (in %), 2024
Tabel 9.1 Samenstelling van de omzet, uitgesplitst naar subsidies en eigen inkomsten, 2024
Subsidies
De musea ontvangen in 2024 in totaal 665 miljoen euro uit overheidssubsidies (tabel 9.1). Circa 50% daarvan komt van het Rijk, waarmee dit de belangrijkste subsidiegever is, die tevens goed is voor bijna een kwart van de totale omzet. Daarna volgen de gemeenten met 262 miljoen euro (39% van de subsidies en 18% van de totale omzet). De totale 665 miljoen euro aan subsidies in 2024 is een stijging van 4% ten opzichte van de 639 miljoen in 2023. Vergeleken met 2019 zijn de overheidssubsidies, na een lichte daling tussen 2022 en 2023, in totaal gestegen met 26%. Daarbij nemen de gemeentelijke subsidies sinds 2019 jaarlijks toe (figuur 9.2), maar laten de provinciale subsidies in 2024 een sterke afname zien (na een jaarlijkse toename tussen 2020 en 2023).
Figuur 9.2 Ontwikkeling subsidies vanuit het Rijk, gemeenten en provincie (index, 2019 = 100), 2019-2024*
Figuur 9.3 Musea naar omzetaandeel (in %), 2024
In 2024 komt 25% van de totale omzet van musea uit Rijkssubsidies en 20% uit gemeentelijke subsidies (figuur 9.3). Het Rijk draagt in euro’s meer subsidie bij dan gemeenten, maar gemeenten zijn in de meeste gevallen de hoofdfinancier van musea; voor 54% van de musea zijn gemeenten in 2024 de hoofdfinancier (tabel 9.2), gevolgd door het Rijk (18%) en particulieren (17%, bestaande uit onder meer giften van bedrijven en vriendenverenigingen). Dit geldt voor alle typen collecties.
Tabel 9.2 Musea naar type collectie en hoofdfinancier, 2024
Regionaal gezien is het aandeel musea met de gemeente als hoofdfinancier het grootst in Overijssel (figuur 9.4). In Noord-Holland is dit aandeel met 45% het kleinst (behalve in Flevoland, dat slechts 4 musea in totaal telt). Ook in Groningen is het aandeel musea met de gemeente als hoofdfinancier relatief klein (50%), maar daar kunnen de musea rekenen op een relatief grote bijdrage van de provincie (44% met de provincie als hoofdfinancier). Ook valt op dat Rijkssubsidies relatief vaak naar de Randstedelijke provincies en Limburg gaan en dat musea in Gelderland juist relatief vaak door particulieren worden ondersteund.
Figuur 9.4 Musea naar hoofdfinancier en provincie (in %), 2024
Eigen inkomsten
De eigen inkomsten van musea zijn in 2023 en 2024 gestegen. Hier is een duidelijk herstel te zien van de coronadip. In 2024 halen de musea samen 644 miljoen euro aan eigen inkomsten binnen (tabel 9.1). Dit is een stijging van 4% ten opzichte van een jaar eerder (2023). Vergeleken met 2019, het jaar voor de coronadip, is een stijging te zien van zelfs 21%. Qua eigen inkomsten gaat het met de musea in Nederland de afgelopen jaren erg goed. Het herstel is echter niet voor alle musea even compleet. Wanneer we de musea opsplitsen naar grootteklasse zien we dat de kleine musea in 2024 gemiddeld 7% minder eigen inkomsten behalen dan in 2019 (figuur 9.5). Bij de andere grootteklassen is een stijging te zien van 20% tot 37%.
Figuur 9.5 Ontwikkeling eigen inkomsten per grootteklasse (in %), 2019-2024*
De samenstelling van de eigen inkomsten is in 2024 grotendeels vergelijkbaar met die in de voorgaande twee jaren. Zowel in 2023 als 2024 komt 45% van de eigen inkomsten uit entreegelden (tabel 9.1 en figuur 9.6). In absolute cijfers gaat het om een stijging van 278 miljoen euro aan entreegelden in 2023 naar 288 miljoen euro in 2024 (inclusief bezoekvergoeding Museumkaart). De gemiddelde entreeprijs voor volwassenen van 18 tot 65 jaar is 10,60 euro in 2024, een stijging van 6% ten opzichte van 2023 toen het nog 10 euro bedroeg. Het grootste verschil in de verdeling van eigen inkomsten tussen 2023 en 2024 is te zien bij het aandeel uit private fondsen. In 2024 komt 15% van de eigen inkomsten uit giften, terwijl dit in 2023 nog 12% was. In absolute cijfers is dit een groei van 76 miljoen euro uit private fondsen in 2023 naar 95 miljoen euro in 2024.
Figuur 9.6 Samenstelling van de eigen inkomsten (in %), 2023 en 2024
Kosten
De musea maken in 2024 in totaal 1,34 miljard euro kosten (tabel 9.3). Ten opzichte van 2023 is dit een stijging van 5%, en ten opzichte van 2019 is dit een stijging van 24%. De grootste kostenposten voor de musea zijn door de jaren heen de personeels- en huisvestingskosten, respectievelijk 621 en 305 miljoen euro in 2024. De personeelskosten stijgen met 7% en de overige kostenposten stijgen samen met 6% in vergelijking met 2023, de huisvestingskosten zijn constant gebleven. Ondanks deze ontwikkelingen blijft de verdeling van de uitgaven over de verschillende kostenposten redelijk stabiel (figuur 9.7).
“De kosten stijgen harder dan de inkomsten. Met name de kosten voor onderhoud en beveiliging stijgen explosief, soms wel met 10% per jaar. Musea kunnen de prijzen van entreebewijzen niet overeenkomstig verhogen, we willen toegankelijk zijn voor iedereen en we zouden liever een kaartje goedkoper maken.“
– Jasmijn de Visser, Zakelijk Directeur bij Het Noordbrabants Museum
Tabel 9.3 Samenstelling van de kosten van musea (x 1 mln. euro), 2019-2024
Figuur 9.7 Samenstelling van de kosten (in %), 2023 en 2024
Wanneer we de ontwikkeling van de kosten over een langere periode vanaf 2019 bekijken (alleen van de musea die tijdens de gehele periode lid waren), is duidelijk te zien dat sinds 2019 voornamelijk de personeelskosten flink zijn gestegen (+33%) gevolgd door de huisvestingskosten (+21%). De overige kosten – die uit onder andere tentoonstellings- en aankoopkosten bestaan – komen na een sterke afname tijdens corona weer net boven het niveau van 2019 uit (+8%).
Figuur 9.8 Ontwikkeling van de kosten van musea (index, 2019 = 100), 2019-2024*
Exploitatie
In 2024 stijgt de totale omzet van musea met 54 miljoen euro tot 1,309 miljard euro. Tegelijkertijd nemen de kosten toe met met 66 miljoen euro, waardoor zij uitkomen op 1,339 miljard euro. Per saldo resulteert dit in een totaal negatief bedrijfsresultaat van 30,5 miljoen euro, wat neerkomt op gemiddeld ruim 65 duizend euro per museum. Musea van alle grootteklassen sluiten 2024 af met een (gemiddeld) negatief resultaat, variërend van 29 duizend euro voor de kleine musea tot 216 duizend euro voor de grote musea (figuur 9.9).
Figuur 9.9 Gemiddeld bedrijfsresultaat musea per grootteklasse (x 1.000 euro), 2023 en 2024*
In 2024 heeft 45% van de musea het jaar afgesloten in de rode cijfers, een daling van 2 procentpunt ten opzichte van 2023. Dit varieert naar grootteklasse tussen de 41% (middelgrote musea) en 50% (middelkleine musea). Opvallend is de ontwikkeling bij de middelgrote musea: in 2022 had nog 52% een negatief bedrijfsresultaat (het grootste aandeel naar grootteklasse) terwijl dit in 2024 met 41% juist het laagst is. Bij de grote musea zijn daarentegen grote schommelingen te zien. Na een sterke toename in 2023 is het aandeel met een negatief bedrijfsresultaat in 2024 weer terug op het niveau van 2022. Ondanks de omzetstijging van het afgelopen jaar, zorgt de gelijktijdige kostenstijging er voor dat veel musea (nog steeds) in financieel zwaar weer verkeren.
Figuur 9.10 Aandeel musea met negatief bedrijfsresultaat per grootteklasse (in %), 2022, 2023 en 2024
10. Samenstelling Museumkaarthouders
Musea vervullen belangrijke functies in de samenleving; een museum is een plek om kunst en cultureel erfgoed te tonen en te bewaren, maar ook een plek voor dialoog, debat en het tonen van verschillende perspectieven. Een museumbezoek is vermakelijk, maar kan ook bijdragen aan het historisch besef, kritisch denkvermogen, inlevingsvermogen en de zelfontplooiing van bezoekers. Musea kunnen zo bijdragen aan verbinding tussen verschillende groepen en de weerbaarheid van burgers, wat in tijden van desinformatie en polarisatie cruciaal is. Om een zo groot mogelijke impact te hebben in de samenleving is het van belang dat musea een breed publiek aanspreken.
De 1,5 miljoen Museumkaarthouders vormen het deel van de samenleving dat bovengemiddeld geïnteresseerd is in musea en hun aanbod. Idealiter weerspiegelt deze groep de diversiteit van de samenleving: mensen met uiteenlopende achtergronden, opvattingen en denkbeelden, voor wie musea een plek zijn die bijdraagt aan verbinding en ontmoeting. In dit hoofdstuk gaan we hier dieper op in door te kijken naar de leeftijdsopbouw van Museumkaarthouders en hoe deze zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. In hoeverre zijn de diverse leeftijdscategorieën vertegenwoordigd onder de Museumkaarthouders en in welke mate ontwikkelt hun leeftijdsopbouw mee met de vergrijzing van de Nederlandse bevolking? De data over Museumkaarthouders in dit hoofdstuk is gebaseerd op het aantal kaarthouders per 1 januari van het betreffende jaar.
Museumkaart meest populair onder oudere leeftijdsgroepen
De Museumkaarthouders[1] vallen voor een relatief groot deel onder de oudere leeftijdssegmenten (figuur 10.1). Van de in totaal 1,5 miljoen kaarthouders op 1 januari 2025 is de grootste leeftijdsklasse die van 66-75-jarigen (22% van de totale hoeveelheid kaarthouders), gevolgd door 56-65-jarigen (17%). Jongeren (13-25-jarigen) en 26-35-jarigen zijn met respectievelijk 6% en 9% het kleinste aandeel kaarthouders.
[1] De data over Museumkaarthouders in dit hoofdstuk is gebaseerd op het aantal kaarthouders per 1 januari van het betreffende jaar. De berekeningen in dit hoofdstuk zijn dus gebaseerd op de aantallen kaarthouders per leeftijdsgroep op 1 januari 2021, 1 januari 2022, 1 januari 2023, 1 januari 2024, en 1 januari 2025.
Figuur 10.1 Aandeel Museumkaarthouders naar leeftijd (in %), 2025
Eerder zagen we in hoofdstuk 3 dat 8,5% van de Nederlandse bevolking van 5 jaar en ouder een Museumkaart heeft. Dit aandeel kaarthouders varieert echter sterk naar leeftijd (figuur 10.2). Van alle 66-75-jarige Nederlanders heeft 17% een Museumkaart, tegenover 3% van de Nederlandse jongeren (13-25-jarigen). Dat de Museumkaart zo populair is onder de oudere leeftijdssegmenten is te verwachten, aangezien mensen vanaf 66 jaar doorgaans meer vrije tijd hebben om musea te bezoeken omdat ze rond die leeftijd met pensioen gaan. Als we de bevolking indelen in twee leeftijdscategorieën, dan heeft 6% van de Nederlanders tot en met 45 jaar een Museumkaart, tegenover 11% van de 46-plussers.
Figuur 10.2 Aandeel van de bevolking met een Museumkaart naar leeftijd (in %), 2025
Jongere leeftijdscategorieën met Museumkaart groeien het sterkst
Het aantal Museumkaarthouders is de afgelopen paar jaar voor elke leeftijdscategorie toegenomen. De mate van groei verschilt echter sterk, afhankelijk van leeftijd (figuur 10.3). Bij de leeftijdscategorieën vanaf 46 jaar is de groei doorgaans relatief minder sterk (tussen de 1% en de 6%), met uitzondering van de 76-plussers (groei van 34%). Onder de jongere leeftijdsgroepen heeft echter een sterkere toename plaatsgevonden. Met uitzondering van de 13-25-jarigen (groei van 9%), is het aantal Museumkaarthouders in de overige jongere leeftijdsgroepen toegenomen met 36%.
Figuur 10.3 Groei van het aantal Museumkaarthouders naar leeftijd (in %), 2021-2025
Binnen het totaal aantal Museumkaarthouders neemt het aandeel van de oudere leeftijdsgroepen duidelijk af (figuur 10.4). De kaarthouders bestonden bijvoorbeeld in 2021 nog voor 25% uit 66-75-jarigen, wat in 2025 gedaald is naar 22%. Uitzondering is de groep 76-plussers, wiens aandeel licht is gestegen van 10% naar 12%. Het aandeel Museumkaarthouders in de jongere leeftijdscategorieën (alle groepen tot en met 45 jaar) neemt voor het grootste deel juist toe, met uitzondering van de 13-25-jarigen, wiens aandeel ongeveer gelijk is gebleven (6% in 2021 en in 2025).
Figuur 10.4 Ontwikkeling aandeel Museumkaarthouders naar leeftijd (in %), 2021-2025
Wanneer we weer kijken naar een tweedeling van de bevolking naar leeftijd (figuur 10.5), is te zien dat in 2021 nog 34% van de kaarthouders 45 jaar of jonger was, wat in 2025 is opgelopen tot 39% van het totaal. Het aandeel kaarthouders van 46 jaar en ouder is juist afgenomen van 66% in 2021 naar 61% in 2025.
Figuur 10.5 Aandeel Museumkaarthouders naar leeftijd (in %), 2021 en 2025
De Nederlandse samenleving vergrijst, waarbij het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt. Deze trend zien we niet terug onder de Museumkaarthouders – de kaart blijft wel het meest populair onder de oudere leeftijdscategorieën, maar hun aandeel wordt de afgelopen jaren juist kleiner. Dit komt omdat we de sterkste groei zien bij kaarthouders met jongere leeftijden, waarbij het aandeel jongere kaarthouders dus toeneemt in het geheel.
Over de Museumvereniging
Musea zijn van grote maatschappelijke en economische waarde, brengen mensen samen en zijn plekken voor educatie en inspiratie. Met hun rijkgeschakeerde collecties vertellen ze bijzondere verhalen, tonen ze verschillende perspectieven en nodigen ze uit tot dialoog en verdieping. Een veerkrachtige en toegankelijke museumsector is in staat te investeren in een duurzame verbinding tussen mensen en musea. De Museumvereniging werkt dan ook aan een toekomstbestendige museumsector waarmee iedereen zich verbonden voelt. Want een sterke museumsector verbindt de samenleving.
Elk jaar onderzoeken de Museumvereniging en het CBS de toekomstbestendigheid van musea. De data hiervoor wordt jaarlijks verzameld via het Museum Analyse Systeem (Museana) en op onderdelen aangevuld door Stichting Museumkaart. Het resultaat wordt gepubliceerd in de Museumcijfers. In deze publicatie verschijnen de cijfers van de 473 leden van de Museumvereniging in 2024.
Verantwoording
Databewerking: Eric Verhoog (ABF Research)
Tekstredactie: Nadine van den Berg (Atlas Research)
Analyse: Joran Veldkamp, Aron Joosse en Nancy Blaker (Atlas Research)
Projectleiding en vormgeving: Aylin Beijersbergen (Museumvereniging)
Interpretatie van de cijfers
De cijfers in dit rapport zijn gebaseerd op een jaarlijkse enquête onder leden van de Museumvereniging. Bij de interpretatie van de gegevens is het belangrijk om met enkele nuances rekening te houden:
- Wisselende respons en steekproef: de gegevens zijn gebaseerd op de musea die elk jaar de vragenlijst invullen. De populatie varieert daardoor jaarlijks in zowel omvang als samenstelling, wat betekent dat trends deels beïnvloed kunnen worden door wie wel of niet deelneemt. Vergelijkingen tussen jaren moeten daarom als indicatief worden beschouwd.
- Gebruik van schattingen: musea mogen bij sommige vragen schattingen invullen in plaats van exacte aantallen, wat de cijfers afhankelijk van individuele inschattingen maakt.
- Interpretatieverschillen: ondanks de in de vragenlijst gegeven definities kunnen er interpretatie-verschillen optreden bij bepaalde begrippen. Verschillende musea kunnen deze immers op uiteenlopende manieren begrijpen, wat de consistentie van de antwoorden kan beïnvloeden.
De gepresenteerde gegevens zijn dus mede afhankelijk van de respons, inschattingen en interpretaties van de musea en moeten met de nodige voorzichtigheid gelezen worden.
Interviews met museumprofessionals
Voor de publicatie van Museumcijfers 2024 hebben we museumprofessionals uit onze achterban gevraagd om de cijfers en trends te duiden. Dit hebben we gedaan via een 3 vragen aan interview. Quotes uit de interviews zijn opgenomen in de publicatie.
Van directeuren tot collectiespecialisten: ontdek hoe verschillende specialisten de uitkomsten duiden en welke kansen zij zien voor de sector.
Copyright
Museumcijfers 2024 is een uitgave (webpublicatie en pdf) van Stichting Museumkaart en de Museumvereniging, gebaseerd op data uit Museana. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.
Disclaimer
Ondanks de zorgvuldigheid waarmee Museumcijfers 2024 tot stand is gebracht, kunnen Stichting Museumkaart en Museumvereniging geen aansprakelijkheid aanvaarden voor schade die het gevolg is van enige fout in deze uitgave.