Vertrouwen in musea is groot, museumbezoek groeit door naar 31,6 miljoen
Nederlandse musea trokken in 2025 gezamenlijk 31,6 miljoen bezoeken. Dat is een stijging van 2,5 procent ten opzichte van een jaar eerder en brengt de sector steeds dichter bij het recordniveau van vóór corona. Dat is te lezen in de zojuist verschenen publicatie Museumcijfers 2025. Tegelijkertijd bereikt het gebruik van de Museumkaart opnieuw een recordhoogte van 9,7 miljoen bezoeken, bijna vijf procent meer dan in het topjaar 2019.
Uit recent onderzoek naar het vertrouwen in musea (Ipsos I&O, Vertrouwen in musea, 2026) blijkt bovendien dat meer dan driekwart van de Nederlandse bevolking musea zien als betrouwbare, onafhankelijke en maatschappelijk waardevolle instellingen. De cijfers onderstrepen de sterke positie van musea in de Nederlandse samenleving. Vera Carasso, directeur Museumvereniging en Stichting Museumkaart: “Dat steeds meer mensen een museum bezoeken zien wij als een teken van betrokkenheid én vertrouwen. We koesteren dat vertrouwen en voelen een grote verantwoordelijkheid om musea toegankelijk en relevant te houden voor iedereen.”
Museumkaart blijft aanjager van museumbezoek
De Museumkaart blijft een belangrijke motor achter het succes van de museumsector. In 2025 werden bijna 9,7 miljoen museumbezoeken afgelegd met een Museumkaart, een record. Goed voor 31 procent van alle museumbezoeken in Nederland. Ten opzichte van het topjaar 2019 ligt het aantal bezoeken met de Museumkaart inmiddels bijna vijf procent hoger. Ook het aantal kaarthouders blijft hoog. In 2025 waren er gemiddeld ruim 1,5 miljoen Museumkaarten in omloop. Musea ontvingen daarvoor gezamenlijk ruim € 81,4 miljoen aan bezoekvergoedingen, een recordbedrag. Een belangrijke ontwikkeling is de introductie van de digitale Museumkaart. Er zijn inmiddels een half miljoen digitale Museumkaarten in gebruik. Daarmee is een derde van alle Museumkaarten beschikbaar via een smartphone-app.
Maatschappelijke rol blijft groeien
Nederlandse musea investeren ondertussen verder in hun maatschappelijke rol. 71 procent van de collecties is inmiddels online toegankelijk voor publiek en onderzoek, ongeveer 90 procent van de musea heeft een educatief aanbod en meer dan tweederde heeft duurzaamheid expliciet opgenomen in het beleid. Ondanks stijgende kosten en aanhoudende financiële druk blijven musea investeren in toegankelijkheid, educatie, digitalisering en publieksbereik. Musea bewaren niet alleen collecties, maar ook een belangrijk deel van ons collectieve geheugen. Investeren in musea is daarom ook investeren in de maatschappelijke weerbaarheid van Nederland. Daarmee blijven zij belangrijke plekken voor ontmoeting, kennis, inspiratie en maatschappelijke verbinding.
Kerncijfers
musea aangesloten bij de Museumvereniging
miljoen museumbezoeken, waarvan 27% uit het buitenland en 19% door jeugd t/m 18 jaar
miljoen Museumkaarthouders op 31 december 2025
miljoen euro levert de bezoeken van Museumkaarthouders de sector op, dat is 26% van alle inkomsten uit entreegelden
museumbezoeken in schoolverband per 100 leerlingen in het BO en VO
objecten tijdelijk in bruikleen, bij een doorsnee museum komt meer dan de helft (56%) van (voornamelijk binnenlandse) particulieren
tijdelijke tentoonstellingen, waarvan 87% in het eigen museum
van de totale collectie is online toegankelijk voor publiek en onderzoek
van de musea heeft duurzaamheid verankerd in het beleid, waarvan de meeste (85%) zich richten op het gebouw
van de musea is niet zelf eigenaar van het hoofdgebouw
werkzame personen, waarvan 67% als vrijwilliger of stagiair. 21,5% van de musea is primair afhankelijk van vrijwilligers en stagiairs
miljard euro omzet, waarvan 49% eigen inkomsten en 51% (overheids)subsidie
miljard euro kosten, waarvan 70% personeels- of huisvestingskosten
van de musea heeft een negatief bedrijfsresultaat
bedroeg de museumspecifieke inflatie sinds 2015, tegenover een subsidiestijging van 26%
1. Musea in Nederland
Musea naar type collectie en grootteklasse
In 2025 zijn 492 geregistreerde Nederlandse musea aangesloten bij de Museumvereniging. De musea hebben verschillende typen collecties (figuur 1.1, rechts). Sommige musea hebben meerdere typen collecties, zoals een combinatie van kunst en geschiedenis of van wetenschap en natuurhistorie. Net als in voorgaande jaren ziet het merendeel zichzelf in de eerste plaats als geschiedenismuseum (62%), gevolgd door kunstmuseum (24%). De kleinste groep zijn de 7 volkenkundige musea die in 2025 lid zijn van de Museumvereniging (1%).
Naast het type collectie verschillen musea ook sterk in omvang (figuur 1.1, links). De grootteklasse van een museum wordt bepaald op basis van de jaarlijkse omzet, ingedeeld in vier categorieën: klein (omzet tot 400 duizend euro), middelklein (400-800 duizend euro), middelgroot (800 duizend-3,2 miljoen euro) en groot (minimaal 3,2 miljoen euro). De kleine musea vormen met 45% de grootste groep.
Tip: de figuren zijn interactief. Beweeg met je cursor over de verschillende elementen om de cijfers te zien. Wil je focussen op een bepaalde combinatie? In de legenda kan je elementen aan- en uitklikken.
Figuur 1.1 Musea naar grootteklasse en type collectie, 2025
Regionale spreiding musea
De 492 musea zijn niet gelijk over Nederland verdeeld (figuur 1.2). Noord-Holland telt 99 musea (20% van het totaal aantal musea), gevolgd door Zuid-Holland met 89 musea (18%) en Gelderland met 65 musea (13%). Aan de 492 musea worden in 2025 in totaal 31,6 miljoen bezoeken afgelegd. De musea in Noord-Holland trekken met 12,6 miljoen het meeste bezoek (40% van het landelijke totaal). Binnen deze provincie vormt de stad Amsterdam het zwaartepunt. Aan de 5 grootste Amsterdamse musea in 2025 worden samen 6,7 miljoen bezoeken afgelegd (dit zijn de 5 grootste musea op basis van hun bezoekcijfers in 2025; de samenstelling van deze groep kan daardoor per jaar verschillen). Dat is meer dan de helft van het Noord-Hollandse (53%) en zelfs 21% van het landelijke museumbezoek. Het zijn vooral de centraal gelegen provincies waar het museumbezoek hoog is. Na Noord-Holland volgen Zuid-Holland, Gelderland en Utrecht, samen zijn deze provincies goed voor 25,4 miljoen bezoeken (80%) in 2025.
Figuur 1.2 Regionale spreiding van het aantal musea (links) en bezoeken x 1.000 (rechts), 2025
In alle provincies zijn geschiedenismusea de meest voorkomende categorie (figuur 1.3). Het aandeel geschiedenismusea per provincie varieert van 55% in Zuid-Holland tot 73% in Drenthe. Buiten het hoge aantal geschiedenismusea kent Drenthe als enige provincie geen kunstmusea. Daarnaast tellen Zeeland en Friesland relatief weinig kunstmusea. In Groningen is het aandeel musea voor bedrijf, wetenschap en techniek relatief groot (16%). Daarentegen ontbreekt er zowel een museum voor volkenkunde als een natuurhistorisch museum in deze provincie. In Drenthe en Zeeland zijn relatief de meeste musea voor natuurhistorie. In slechts 4 provincies is een volkenkundig museum aanwezig en alleen Noord- en Zuid-Holland hebben er meer dan één.
Figuur 1.3 Musea naar type collectie per provincie (aandelen musea per provincie in %), 2025
Ook de spreiding naar grootteklasse over het land varieert aanzienlijk (figuur 1.4). Zo zijn er in de noordelijke provincies (op Groningen na), en dan met name in Overijssel en Drenthe, re-latief veel kleine musea te vinden. Zuid-Holland en Utrecht hebben relatief weinig kleine musea, met respectievelijk 31% en 34% beduidend minder dan het Nederlandse gemiddelde van 45%. Grote musea zijn er verhoudingsgewijs veel in Zuid- en Noord-Holland (circa 1 op de 4 musea) en in Flevoland, al gaat het daar om 2 van de in totaal 6 musea. Het aandeel middelkleine musea loopt uiteen van 7% in Drenthe tot 37% in Groningen. Zuid-Holland en Utrecht tellen met ruim 30% in verhouding de meeste middelgrote musea.
Figuur 1.4 Musea naar grootteklasse per provincie (aandelen musea per provincie in %), 2025
2. Bezoeken
Bezoeken in 2025
In 2025 worden aan de 492 musea in totaal 31,6 miljoen bezoeken afgelegd, waarvan 23,1 miljoen uit het binnenland en 8,5 miljoen uit het buitenland. Nu de musea inmiddels voor het derde (volledige) jaar sinds de coronacrisis weer onbeperkt opengesteld zijn voor publiek, zet de gestage toename van het museumbezoek door: na een stagnatie in 2024 groeit het bezoek in 2025 met 2,5% (figuur 2.1). Daarmee nadert het bezoek weer het niveau van vóór de coronacrisis (32,6 miljoen in 2019). Bij de 368 musea die in de volledige periode 2016-2025 lid zijn geweest van de Museumvereniging is de groei iets bescheidener (+0,9% ten opzichte van 2024).
Figuur 2.1 Museumbezoek (x 1 miljoen), 2016-2025
De 85 grote musea zijn in 2025 met 21,1 miljoen bezoeken (67%) goed voor twee derde van alle museumbezoeken. Daarna volgen de middelgrote musea met 6,8 miljoen bezoeken (22%), de kleine musea met 2,1 miljoen (7%) en tot slot de middelkleine musea met 1,6 miljoen (5%). De ontwikkeling van het bezoek sinds 2019 verschilt sterk per grootteklasse (figuur 2.2). Vooral de kleine en grote musea ontvangen in 2025 minder bezoeken dan in 2019, respectievelijk 19% en 8% minder. Bij de middelkleine en middelgrote musea ligt het aantal bezoeken juist hoger dan in 2019, met een toename van respectievelijk 7% en 5%. Deze verschillen kunnen deels samenhangen met een verschillend herstel na de coronacrisis, maar ook andere factoren kunnen een rol spelen, zoals gerichte inspanningen om bezoekers te trekken, bijzondere exposities of verschuivende bezoekersvoorkeuren. Vergeleken met één jaar eerder is het aantal bezoeken in 2025 in alle grootteklassen licht gestegen. De middel-kleine musea kenden de grootste groei (4%), gevolgd door de kleine musea (2%). Voor de middelgrote en grote musea bleef het bezoek vrijwel gelijk (beide +1%).
Figuur 2.2 Ontwikkeling museumbezoek naar grootteklasse (in %)*
Al vormen de geschiedenismusea in aantal de grootste groep (62%), in bezoek houden zij en de kunstmusea elkaar redelijk in evenwicht, met respectievelijk 13,6 miljoen (43%) en 12,5 miljoen (40%) bezoeken in 2025. De ontwikkeling sinds 2019 verschilt echter sterk per type (figuur 2.3). Bij de geschiedenismusea ligt het aantal bezoeken in 2025 licht onder het niveau van 2019 (-2%). De kunstmusea ontvangen beduidend minder bezoeken (-14%) dan in 2019, terwijl de musea voor bedrijf, wetenschap en techniek weer op het niveau van 2019 zitten (+1%). De natuurhistorische musea steken daar met een toename van 28% ver bovenuit, terwijl de volkenkundige musea juist het sterkst achterblijven (-22%).
Figuur 2.3 Ontwikkeling museumbezoeken naar type museum*
Vergeleken met 2024 is het beeld anders. Bij de geschiedenis- en kunstmusea (beide +1%) en de musea voor bedrijf, wetenschap en techniek (-1%) blijft het aantal bezoeken vrijwel stabiel. De natuurhistorische musea (+5%) en vooral de volkenkundige musea (+14%) laten de sterkste groei zien ten opzichte van 2024; bij deze laatste groep gaat het echter om een dusdanig klein aantal musea dat grotere schommelingen in het percentage niet ongewoon zijn.
Geografische herkomst van het museumbezoek
In 2025 is 27% van het totale bezoek afkomstig van buitenlandse bezoekers, net als in 2024. De geografische herkomst van het museumbezoek verschilt sterk naar grootteklasse (figuur 2.4). Bij de grote musea is het aandeel buitenlandse bezoekers met 33% veruit het grootst, terwijl dit bij de kleine, middelkleine en middelgrote musea beperkt blijft tot respectievelijk 14%, 11% en 17%. Buitenlandse bezoekers komen dus vooral af op de grote publiekstrekkers. Ook tussen de typen musea lopen de aandelen uiteen (figuur 2.5). Het buitenlandse bezoek is met 36% het grootst bij de kunstmusea, gevolgd door de geschiedenismusea (23%) en de musea voor bedrijf, wetenschap en techniek (16%). Bij de natuurhistorische (12%) en volkenkundige musea (4%) is het aandeel bezoeken uit het buitenland juist erg klein.
Figuur 2.4 Museumbezoek naar geografische herkomst en grootteklasse, 2025
Figuur 2.5 Museumbezoek naar geografische herkomst en type museum, 2025
Figuur 2.6 laat voor de 413 musea die in de volledige periode 2019-2025 lid waren van de Museumvereniging de bezoekontwikkeling naar geografische herkomst zien. Het binnenlandse bezoek is in 2025 vrijwel gelijk aan dat van 2019, terwijl het buitenlandse bezoek nog altijd lager ligt dan destijds. Ten opzichte van 2024 neemt zowel het binnenlandse als het buitenlandse bezoek in 2025 opnieuw licht toe.
Figuur 2.6 Ontwikkeling museumbezoek naar geografische herkomst (index, 2019 = 100), 2019-2025*
In 2025 komt het museumbezoek in veruit de meeste provincies overwegend uit het binnenland (figuur 2.7). Drenthe ontvangt met 96% van de bezoeken het grootste aandeel uit het binnenland, gevolgd door Gelderland met 91%. Behalve in Zeeland en Noord-Holland komt in alle provincies 85% of meer van het bezoek in 2025 uit het binnenland, en blijft het aandeel buitenlands bezoek daar dus op of onder de 15%. In Zeeland is ruim een vijfde van het bezoek buitenlands (22%) en in Noord-Holland bijna de helft (49%). Het hoge aantal buitenlandse museumbezoeken in Noord-Holland zorgt ervoor dat het landelijke aandeel buitenlands bezoek ook relatief groot (27%) is.
Figuur 2.7 Geografische herkomst museumbezoek per provincie, 2025
Museumbezoek van jeugd en volwassenen
Van het totale aantal museumbezoeken van 31,6 miljoen in 2025 komen er 6,1 miljoen (19%) voor rekening van jeugd tot en met 18 jaar (tabel 2.1). Volwassenen zijn goed voor de resterende 25,5 miljoen bezoeken (81%). Deze verhouding is al jarenlang constant.
Vanaf 2022 herstelde het in de coronajaren gedaalde bezoek, en sinds 2023 naderen beide weer het niveau van vóór de coronacrisis (figuur 2.8). Het jeugdbezoek herstelde na de co-ronacrisis aanvankelijk sneller, terwijl het volwassenbezoek sindsdien juist geleidelijk is blijven toenemen; het verschil tussen beide groepen is in 2025 dan ook vrijwel verdwenen.
Tabel 2.1 Museumbezoek van jeugd en volwassenen, 2025
Figuur 2.8 Ontwikkeling museumbezoek jeugd en volwassenen (index, 2019 = 100), 2019-2025*
In 2025 ligt het jeugdbezoek in de vrije tijd hoger dan in het pre-corona jaar: onder musea die van 2019 tot en met 2025 lid waren van de Museumvereniging is dit bezoek (exclusief schoolbezoeken) in die periode met 234 duizend toegenomen, een toename van bijna 6%. Deze ontwikkeling verschilt wel naar grootteklasse (figuur 2.9): de toename doet zich vooral voor bij de middelkleine musea (+38%) en – in mindere mate – bij de grote musea (+8%), terwijl bij de kleine (-2%) en middelgrote musea (-3%) juist een lichte afname te zien is.
Figuur 2.9 Ontwikkeling jeugdbezoek in vrije tijd (in %), 2019-2025*
3. Museumkaart
Ontwikkeling aantal Museumkaarthouders
Het aantal Museumkaarthouders komt op 1 juli 2025 uit op 1,50 miljoen en blijft daarmee vrijwel gelijk aan een jaar eerder (figuur 3.1). Het aantal kaarthouders nam gestaag toe in de periode 2016-2019, maar tijdens de coronacrisis daalde het tot een dieptepunt van 1,15 miljoen (begin 2022). Daarna volgde een sterk herstel, met een forse toename in 2022 en 2023. Hoewel het aantal op 1 juli 2025 dus nagenoeg gelijk is aan een jaar eerder, laten de sinds 2022 beschikbare maandcijfers een genuanceerder beeld zien: in 2025 loopt het aantal kaarthouders door het jaar heen (in tegenstelling tot in 2024) op, van 1,49 miljoen in januari naar 1,54 miljoen in december — het hoogste niveau ooit. Het aandeel van de Nederlandse bevolking van 5 jaar en ouder dat een Museumkaart bezit, is al geruime tijd constant en schommelt rond de 8% à 9%.
Figuur 3.1 Trend aantal Museumkaarthouders (x 1 miljoen, waarden bij de stand op 1 juli), 2016-2025*
Bezoek van Museumkaarthouders
Het aantal bezoeken van Museumkaarthouders bereikt in 2025 een recordhoogte: 9,7 miljoen tegen 9,6 miljoen in 2024 (+2%). Daarmee ligt dit aantal bijna 5% hoger dan in 2019. Het aantal reguliere bezoeken (zonder Museumkaart) ligt in 2025 nog 6% onder het niveau van 2019, al is dat verschil kleiner dan een jaar eerder, toen het nog 9% was. Het aandeel Museumkaartbezoeken is gestegen van 27% (2016) naar bijna 29% vóór corona, piekte in 2020 toen regulier bezoek wegviel, en ligt sinds 2022 stabiel rond de 30-31% (figuur 3.2).
Figuur 3.2 Ontwikkeling aandeel bezoek met Museumkaart, 2016-2025
Het gemiddeld aantal bezoeken per Museumkaarthouder ligt in 2025 rond de 6,5. Dit cijfer geeft de verhouding weer tussen het aantal Museumkaartbezoeken en het aantal kaarthouders, en dat laatste hangt af van het gekozen peilmoment (zie ook figuur 3.1). Afhankelijk van of we het aantal kaarthouders per januari, juli of december nemen, komt het gemiddelde in 2025 uit tussen 6,3 en 6,5 bezoeken per kaarthouder — een vergelijkbare bandbreedte als in 2024 (6,3 tot 6,4). Het gemiddelde ligt daarmee de laatste jaren stabiel rond 6,5 bezoeken per kaarthouder.
Bezoek Museumkaarthouders naar leeftijd
Volwassenen van 35 jaar en ouder zijn in 2025 goed voor ruim driekwart van het totale aantal bezoeken door Museumkaarthouders (76%, figuur 3.3). Dat aandeel in het bezoek is aanzienlijk groter dan het aandeel volwassenen van 35 jaar en ouder in de Nederlandse bevolking op 1 januari 2025 (59%). Volwassenen maken daarmee relatief veel gebruik van de Museumkaart. Kinderen (0 tot en met 12 jaar), jongeren (13 tot en met 18 jaar) en jongvolwassenen (19 tot en met 34 jaar) zijn juist ondervertegenwoordigd in het aandeel bezoeken door Museumkaarthouders. Bij kinderen en jongeren speelt daarbij vermoedelijk mee dat veel musea hen gratis toegang bieden. Ten opzichte van 2024 verschuift het bezoek richting de oudste groep: 65-plussers nemen 38% van het Museumkaartbezoek voor hun rekening tegen 36% een jaar eerder, terwijl kinderen en jongvolwassenen elk een procent-punt inleveren. In 2019 was het aandeel 65-plussers met 40% nog groter.
Figuur 3.3 Leeftijdsopbouw van het bezoek van Museumkaarthouders (in %), 2025
Bezoek Museumkaarthouders naar type museum en grootteklasse
Museumkaarthouders vinden in 2025 vaker hun weg naar kunstmusea (43%) dan naar geschiedenismusea (40%, figuur 3.4). Nadat de Museumkaarthouders beide typen musea in 2024 nog ongeveer even vaak bezochten (beide 41%) is het verschil dat in 2022 en 2023 zichtbaar was daarmee weer terug. Niet-kaarthouders bezoeken juist het vaakst de geschiedenismusea (44%), gevolgd door kunstmusea (38%). Voor de overige drie typen musea zijn de aandelen bij zowel kaarthouders als niet-kaarthouders rond hetzelfde niveau als in voorgaande jaren, en verschillen beide groepen onderling ook nauwelijks van elkaar.
Figuur 3.4 Bezoek met Museumkaart en bezoek zonder Museumkaart naar type museum (in %), 2025
Figuur 3.5 Bezoek met Museumkaart en bezoek zonder Museumkaart naar grootteklasse (in %), 2025
Er zit niet veel verschil tussen Museumkaarthouders en niet-kaarthouders in de mate waarin zij kleine dan wel grote musea bezoeken (figuur 3.5). Kaarthouders bezoeken iets vaker de kleine, middelkleine en middelgrote musea, terwijl het aandeel bezoeken aan de grote musea 5 procentpunt hoger ligt bij de niet-kaarthouders. Het is aannemelijk dat dit komt doordat grote musea relatief meer buitenlandse bezoekers ontvangen, die doorgaans niet in het bezit zijn van een Museumkaart.
Bezoekvergoeding voor Museumkaartbezoeken
Voor elk Museumkaartbezoek ontvangen musea een bezoekvergoeding. Deze is voor 2025 vastgesteld op 64,4% van de (gewogen) gemiddelde toegangsprijs van het vol betalend bezoek. Daarmee ligt het percentage boven het streefniveau van 60%, net als in de jaren daarvoor (zoals in 2024: 63%). Dat het percentage boven de 60% uitkomt, zegt op zichzelf niet dat kaarthouders méér zijn gaan betalen.
In totaal ontvangen musea 81,4 miljoen euro aan bezoekvergoeding in 2025, opnieuw meer dan het jaar ervoor (76 miljoen euro) en ruim boven het niveau van 2019 (64 miljoen euro). Deze vergoeding is in 2025 goed voor ruim een kwart (26%) van de totale inkomsten uit entreegelden en voor 12% van de totale eigen inkomsten — aandelen die al jaren stabiel zijn.
4. Onderwijs
Ongeveer 90% van de musea heeft in 2025 een educatief aanbod. Dat aandeel is al jaren stabiel rond dit niveau; alleen in coronajaar 2021 zakte het naar 83%. Het aanbod bestaat voornamelijk uit educatieve programma’s voor scholieren, van het basisonderwijs tot en met het hoger onderwijs. Daarnaast organiseren musea publieksgerichte activiteiten voor specifieke doelgroepen, waaronder prikkelarme activiteiten en programmering voor doven, slechthorenden en slechtzienden, voor mensen met dementie of alzheimer, voor statushouders en voor bezoekers die het Nederlands beperkt beheersen. Educatieve taken beslaan 9% van het totale aantal gewerkte uren van het museumpersoneel in 2025. Dat hangt samen met het grote aantal musea dat leerlingen in schoolverband ontvangt: 92% van de musea krijgt bezoek van basisscholen en 71% van scholen in het voortgezet onderwijs. Deze aandelen zijn in grote lijnen gelijk gebleven ten opzichte van 2024.
In schoolverband leggen leerlingen uit het basis- en voortgezet onderwijs in 2025 ruim 1,6 miljoen museumbezoeken af (tabel 4.1), waarvan 921 duizend met de basisschool en 716 duizend met het voortgezet onderwijs. Dat is 27% van alle 6,1 miljoen bezoeken door jeugd tot en met 18 jaar. Per 100 leerlingen worden er in 2025 gemiddeld 68 schoolbezoeken afgelegd, opnieuw iets meer dan een jaar eerder (2024: 67) en daarmee een volgende stap in het herstel na 2021 (toen: 21 bezoeken per 100 leerlingen). Het schoolbezoek ligt daarmee nog wel duidelijk onder het niveau van 2019 (91 bezoeken per 100 leerlingen).
Tabel 4.1 Museumbezoek in schoolverband en jeugdbezoek in de vrije tijd, 2025
In 2025 wordt 25% van het totale museumbezoek van kinderen tot en met 12 jaar afgelegd met de basisschool (figuur 4.1). Bij jongeren van 13 tot en met 18 jaar is dat aandeel iets groter: 30% van hun bezoeken loopt via het voortgezet onderwijs. Voor beide groepen is dat 1 procentpunt hoger dan in 2024; het verschil tussen beide leeftijdsgroepen blijft daarmee 5 procentpunt.
Figuur 4.1 Museumbezoek in schoolverband en jeugdbezoek in vrije tijd (in %), 2025
Het aantal museumbezoeken in schoolverband groeit ook in 2025, maar het tempo is minder hoog dan in de jaren direct na de coronacrisis (figuur 4.2). Na de sprong van 162% in 2022, toen het schoolbezoek van 480 duizend naar bijna 1,3 miljoen ging, kwamen er in 2023 nog ruim 220 duizend bezoeken bij, gevolgd door ruim 55 duizend in 2024 en bijna 30 duizend in 2025. Over een langere horizon bekeken staat het schoolbezoek in 2025 op 73% van het niveau van 2019, tegen 71% een jaar eerder. Het basisonderwijs is daarbij sterker hersteld dan het voortgezet onderwijs: het bezoek in het basisonderwijs staat op 76% van het niveau van 2019, tegenover 69% in het voortgezet onderwijs.
Figuur 4.2 Trends in het aantal museumbezoeken in schoolverband (index, 2019 = 100), 2019-2025*
Over het hele decennium bezien daalt het aantal schoolbezoeken gestaag, en die daling is sterker in het voortgezet onderwijs dan in het basisonderwijs (figuur 4.3 en figuur 4.4). Sinds 2016 nam het schoolbezoek in het voortgezet onderwijs met circa 20% af tegenover circa 11% in het basisonderwijs. Het verschil tussen beide schooltypen loopt daarbij geleidelijk op. Na de scherpe terugval tijdens de coronaperiode herstelt het schoolbezoek sinds 2021 weer, al ligt het in 2025 nog onder het niveau van 2016.
Figuur 4.3 Museumbezoek in schoolverband basisonderwijs (x 1.000), 2016-2025
Figuur 4.4 Museumbezoek in schoolverband voortgezet onderwijs (x 1.000), 2016-2025
5. Collectiebeheer & Digitalisering
Collectiebeheer
Museale collecties zijn opgebouwd uit eigen aankopen en permanente bruiklenen (objecten die langer dan 5 jaar in bruikleen zijn). Tijdelijke bruiklenen (objecten die korter dan 5 jaar in bruikleen zijn) tellen hier niet in mee. De leden van de Museumvereniging hebben in 2025 in totaal circa 106 duizend objecten tijdelijk in bruikleen. Dat is slechts een klein deel (0,1%) van de totale collectie die musea in de tentoonstellingsruimten, in het depot of in langdurige bruikleen hebben.
Figuur 5.1 toont van wie musea deze objecten lenen. De figuur geeft het ongewogen gemiddelde over alle musea, waarbij elk museum even zwaar meetelt ongeacht het aantal bruiklenen, en schetst daarmee het beeld van een doorsnee museum. Particulieren zijn ook in 2025 de belangrijkste bruikleengevers: gemiddeld komt 56% van de tijdelijke bruiklenen van particulieren, overwegend uit Nederland (51%). Andere musea leveren bijna drie op de tien objecten (29%), ook hier voornamelijk binnenlandse musea (25%). De overige bruiklenen zijn afkomstig van het Rijk, gemeenten, provincies en bedrijven, elk goed voor 3 tot 5%.
Figuur 5.1 Eigenaar van de objecten tijdelijk in bruikleen (in %), 2025
Gewogen naar het aantal objecten verandert het beeld op één punt. Binnenlandse particulieren blijven ook dan met 49% veruit de grootste bruikleengever, maar de verhouding tussen binnen- en buitenlandse musea slaat om: van respectievelijk 25% en 4% ongewogen naar 18% en 16% gewogen. Dat komt doordat een beperkt aantal grote musea voor hun tijdelijke tentoonstellingen veel objecten van buitenlandse musea leent. Voor de meeste musea speelt het buitenland als bruikleengever dus nauwelijks een rol, maar in het totale aantal geleende objecten telt het zwaar mee.
Figuur 5.2 Ongewogen verdeling van de collectie naar locatie (in %), 2025
Het overgrote deel van de museumobjecten bevindt zich in het depot: in 2025 is circa 96% daar ondergebracht. Dit cijfer telt alle objecten van alle musea bij elkaar op, waardoor het sterk wordt bepaald door enkele musea met zeer omvangrijke depotcollecties: zij drukken met hun hoge aantallen een zwaar stempel op het totaal. Om ook hier een beeld van een doorsnee museum te geven, toont figuur 5.2 net als figuur 5.1 het ongewogen gemiddelde. Daaruit blijkt dat gemiddeld bijna twee derde van de collectie in het depot staat (65%) en ruim een derde daadwerkelijk in de tentoonstellingsruimten te zien is (34%). De resterende objecten zijn tijdelijk aan andere musea uitgeleend, vrijwel uitsluitend binnen Nederland.
Opvallend is dat de beweging tussen depot en tentoonstellingsruimte in 2025 omslaat. In elk eerder meetjaar brachten musea meer objecten naar het depot dan zij eruit haalden, vorig jaar nog ruim tweeënhalf keer zo veel (506 duizend tegen 193 duizend). In 2025 is dat voor het eerst omgekeerd: 337 duizend objecten gingen naar het depot en 363 duizend kwamen eruit om te worden tentoongesteld, in bruikleen te worden gegeven, verkocht te worden of te worden geretourneerd aan landen van herkomst.
Digitalisering
Digitaliseren betekent dat een object niet alleen in een collectie-informatiesysteem is op-genomen, maar ook digitaal beschikbaar is gemaakt via (3D-)scans, films, foto’s of andere vormen. Objecten die al digitaal zijn ontstaan (born digital) tellen eveneens mee. Het digi-taal maken is slechts de eerste stap in het digitaliseringsproces: na deze initiële omzetting is een object doorgaans nog niet online raadpleegbaar voor het publiek.
78% van de totale collectie van musea is in 2025 opgenomen in hun collectie-informatie-systeem én gedigitaliseerd. Van de collecties is 71% ook online toegankelijk voor het publiek (vrijwel gelijk aan 2024). Over een langere periode bezien is de vooruitgang groot: in 2015 was dit nog slechts 21%. De jarenlange investeringen van musea in digitalisering werpen dus hun vruchten af. Nu een groot deel van de collecties online staat, verschuift de nadruk van snelle groei naar het verder uitbreiden en verdiepen van het digitale aanbod.
De mate waarin de collectie online toegankelijk is, hangt sterk samen museumgrootte Grote musea lopen met 77% ver voor op de rest (figuur 5.3). Bij de overige grootteklassen ligt het aandeel tussen 10% en 26%: middelgrote (26%) en kleine musea (25%) liggen dicht bij elkaar, de middelkleine blijven achter (10%). Dit cijfer is een gewogen gemiddelde, waarin musea meetellen naar rato van hun collectieomvang. In de kleinere grootteklassen kan één museum met een omvangrijke collectie het beeld daardoor sterk bepalen.
Figuur 5.3 Aandeel van de collectie dat via internet voor het publiek toegankelijk is (in %), 2025*
Nieuw in de vragenlijst van 2025 is de vraag naar het aantal unieke bezoeken aan de collectiewebsite of beeldbank. Opvallend genoeg geeft het merendeel van de musea aan dit niet bij te houden: slechts 53 musea (een krappe 11%) registreren deze cijfers. Bij die musea komt het gemiddelde uit op 172 duizend unieke bezoeken per jaar, al wordt dat cijfer sterk bepaald door enkele grote musea met een omvangrijke online collectie. Voor het merendeel van deze musea gaat het om aanzienlijk kleinere aantallen.
Musea zetten uiteenlopende digitale hulpmiddelen in om de ervaring van hun bezoekers bij een tentoonstelling te verrijken. QR-codes zijn daarbij het meest gebruikt, door 47% van de kleine tot 78% van de grote musea (figuur 5.4). Informatieve installaties volgen op korte afstand, met 42% bij de kleine en 63% bij de grote musea. Bij de complexere toepassingen loopt het verschil naar museumgrootte sterker op: gaming en interactieve installaties worden door 40% van de grote musea ingezet tegenover 10% van de kleine. Bij immersieve technologie zoals virtual of augmented reality is dat 25% bij de grote musea tegenover 6% bij de kleine musea. Naarmate musea groter zijn, zetten zij dus niet alleen vaker digitale hulpmiddelen in, maar ook een breder scala aan technieken. Van de kleine musea gebruikt 15% helemaal geen digitale hulpmiddelen; bij de grote musea is dat 1%.
Figuur 5.4 Gebruik digitale hulpmiddelen voor de bezoekerservaring naar grootteklasse (in %), 2025
Online activiteiten
Nu de coronacrisis al enige tijd achter ons ligt, is de noodzaak voor een ruim aanbod online activiteiten grotendeels verdwenen. Waar in 2020 en 2021 nog circa 80% van de musea minstens één online activiteit aanbood, uiteenlopend van virtuele rondleidingen tot online workshops en cursussen, is er sindsdien een afname zichtbaar. In 2025 zet deze afname door en is het aandeel musea dat online activiteiten aanbiedt 44%.
Anders dan in 2024 loopt het aanbod in 2025 in alle grootteklassen terug (figuur 5.5). Grote musea blijven veruit het meest online actief, maar zakken van 82% naar 72%. De sterkste daling doet zich voor bij de middelgrote musea, van 57% naar 46%. Bij de kleine musea gaat het van 31% naar 28% en de middelkleine musea blijven met 51% vrijwel gelijk aan 2024 (53%). Het verschil tussen de grootste en de kleinste musea blijft daarmee onverminderd groot. Daarbij past de kanttekening dat in 2025 twee van de zeven typen online activiteiten niet meer zijn uitgevraagd (online workshops en opdrachten of uitdagingen voor online be-zoekers), wat een klein deel van de afname zou kunnen verklaren.
Figuur 5.5 Musea die ten minste één online activiteit aanbieden, 2024 en 2025*
6. Duurzaamheid
In 2025 geven 335 van de 492 musea (68%) aan dat duurzaamheid onderdeel is van het beleid van het museum. Dat kan gaan om verduurzaming van het museale pand of een duurzame tentoonstellingsproductie, maar ook om het vergroten van bewustwording bij het publiek en (andere) belanghebbenden. Ruim een op de vijf musea (104 musea, 21%) heeft geen duurzaamheidsbeleid en 53 musea (11%) hebben de vraag niet beantwoord. In 2024 lag dit aandeel op 63%, al kregen toen alleen de musea met aandacht voor duurzaamheid deze vraag voorgelegd.
Duurzaamheid is bij 92% van de grote musea onderdeel van beleid. Dit aandeel is iets lager onder middelgrote en middelkleine musea, namelijk respectievelijk 84% en 89%. Van de kleine musea heeft 62% duurzaamheid in het beleid opgenomen, opvallend minder dan de andere grootteklassen. Naar type collectie zijn de verschillen kleiner: bij 72% van de geschiedenismusea is duurzaamheid onderdeel van beleid ten opzichte van 86% van de natuurhistorische musea en de musea voor bedrijf, wetenschap en techniek, 82% van de kunstmusea en 80% van de volkenkundige musea.
Figuur 6.1 Aandeel musea met een verantwoordelijke voor het duurzaamheidsbeleid naar grootte (in %), 2025*
Van de musea met duurzaamheidsbeleid heeft bijna de helft (49%) iemand aangewezen voor het uitvoeren ervan: 28% heeft een betaalde arbeidspositie en 21% een interne werkgroep, oftewel een green team. Net als in 2024 is dat bij kleine musea minder vaak het geval: 38% van de kleine musea heeft een verantwoordelijke voor het duurzaamheidsbeleid, tegenover 58% van de grote en 59% van de middelgrote musea; de middelkleine musea komen op 43% (figuur 6.1). De vraagstelling is dit jaar aangescherpt — alleen een betaalde functie of green team telt nu mee, terwijl in 2024 ook een onbetaalde kracht of vrijwillige meetelde —waardoor deze cijfers niet direct vergelijkbaar zijn met 2024.
De musea die duurzaamheid in hun beleid hebben opgenomen, richten zich daarbij op uiteenlopende gebieden (figuur 6.2). Het gebouw is veruit het belangrijkste aangrijpingspunt: 85% van deze musea rekent gebouwbeheer tot het duurzaamheidsbeleid (zie ook hoofdstuk 7). Daarna volgen inkoop (53%) en collectiebeheer (36%). Tentoonstellingen en educatie (28%) en mobiliteit (25%) worden wat minder vaak genoemd. Daarnaast noemt 11% ander duurzaamheidsbeleid, zoals het bewust tegengaan van voedselverspilling.
Figuur 6.2 Gebieden waarop duurzaamheid onderdeel is van het beleid, 2025*
Van de 84 musea waarbij mobiliteit onderdeel is van het duurzaamheidsbeleid gaat het bij 86% om de mobiliteit van werknemers (figuur 6.3). Op afstand volgen de mobiliteit van bezoekers (40%) en die van objecten (32%). Daarnaast noemt 5% een ander onderdeel, bijvoorbeeld het aanbieden van een fietsplan voor hun medewerkers. De aandacht gaat daarmee vooral uit naar het woon-werkverkeer, en minder naar het bezoek en transport van collectiestukken. Bij inkoop ligt het accent op de publieksvoorzieningen (figuur 6.4). Van de 177 musea waarbij inkoop onderdeel is van het duurzaamheidsbeleid, noemt 67% de museumwinkel en 59% de horeca. Inkoop voor objecten (28%) en werknemers (21%) komt beduidend minder vaak voor, en 12% noemt een ander onderdeel, zoals het verduurzamen van kantoorbenodigdheden. Duurzame inkoop is bij musea dus vooral zichtbaar op de plekken waar de bezoeker zelf iets koopt of consumeert.
Figuur 6.3 Onderdelen van mobiliteit binnen het duurzaamheidsbeleid, 2025*
Figuur 6.4 Onderdelen van inkoop binnen het duurzaamheidsbeleid, 2025*
De 104 musea zonder duurzaamheidsbeleid geven hiervoor meerdere redenen op (figuur 6.5). De belangrijkste is dat zij over te weinig personeel beschikken: ruim vier op de tien van deze musea voert dit aan (43%, tegen 49% in 2024). Verder zijn te weinig tijd (38%, was 34% in 2024) en onvoldoende financiële middelen (35%, was 41% in 2024) vaak een belemmering om actief met duurzaamheid aan de slag te gaan. Een gebrek aan kennis over duurzaamheid speelt bij 21% van deze musea een rol en 18% geeft aan dat duurzaamheid voor het museum geen prioriteit is. Net als in 2024 zijn de musea zonder duurzaamheidsbeleid voornamelijk de kleine musea (70%, in 2024: 71%), wat verklaarbaar is uit hun vaak beperkte personele en financiële middelen (zie ook hoofdstukken 8 en 9). Opvallend is verder dat ook relatief vaak een andere reden wordt genoemd, zoals niet zelf eigenaar zijn van het pand waardoor verduurzaming buiten de invloed van het museum valt (27%, tegenover 17% in 2024).
Figuur 6.5 Redenen dat musea geen duurzaamheidsbeleid hebben, 2025*
7. Gebouw & Tentoonstellingen
Eigendomssituatie hoofdgebouw
Meer dan de helft (56%) van de musea huurt het hoofdgebouw waarin het is gevestigd (figuur 7.1). Bij ruim een kwart is het hoofdgebouw eigendom van het museum zelf (29%). Bij 13% van de musea is het gebouw beschikbaar gesteld door een externe partij: het museum betaalt geen huur, maar heeft het pand kosteloos in gebruik gekregen van bijvoorbeeld de gemeente of een andere eigenaar. Een kleine groep (2%) heeft het pand deels in eigen bezit, deels huur. Het merendeel van de musea is zelf dus niet eigenaar van het hoofdgebouw.
Figuur 7.1 Eigendomssituatie hoofdgebouw (in %), 2025*
Ook uitgesplitst naar grootteklasse is huur in alle groepen de meest voorkomende eigendomsvorm van het hoofdgebouw (figuur 7.2). Het aandeel gehuurde hoofdgebouwen is het grootst bij de grote musea (65%) en de middelkleine musea (61%), en wat kleiner bij de middelgrote (53%) en kleine musea (51%). Een gebouw in eigen bezit komt met 37% relatief het vaakst voor bij de middelgrote musea, gevolgd door de kleine musea (30%); bij de middelkleine en grote musea is dit met 21% het minst. Een beschikbaar gesteld hoofdgebouw zien we het meest bij de kleine musea (15%) en het minst bij de middelgrote musea (9%). De categorie deels eigen bezit of deels gehuurd is in alle categorieën klein (1% tot 4%). Een deel van de musea deelt het gebouw met een of meer andere organisaties. Dit aandeel ligt in alle grootteklassen rond een kwart en verschilt onderling maar beperkt (figuur 7.3). Bij de middelkleine musea komt het delen van het gebouw met 27% het vaakst voor, gevolgd door de middelgrote (25%) en kleine musea (24%). Bij de grote musea gebeurt dit met 19% het minst.
Figuur 7.2 Eigendomssituatie hoofdgebouw naar grootteklasse (in %), 2025*
Figuur 7.3 Aandeel musea dat het gebouw deelt met andere organisaties naar grootteklasse (in %), 2025*
Toegankelijkheid en duurzaamheid van het hoofdgebouw
Het hoofdgebouw is bij het merendeel van de musea toegankelijk voor mensen met een motorische beperking (77%, figuur 7.4). Voor doven en slechthorenden is ruim de helft van de hoofdgebouwen toegankelijk (53%) en voor blinden en slechtzienden is dit 45%. Een kleine groep musea geeft aan dat het hoofdgebouw (helemaal) niet toegankelijk is voor mensen met een beperking (8%). Bij de musea die gebouwbeheer tot hun duurzaamheidsbeleid rekenen, ligt binnen dat gebouwbeheer de nadruk vooral op energie (55%, figuur 7.5), gevolgd door afval (29%) en water (15%).
Figuur 7.4 Toegankelijkheid hoofdgebouw (in %), 2025*
Figuur 7.5 Gebouwbeheer binnen duurzaamheidsbeleid (in %), 2025*
Tijdelijke tentoonstellingen
In 2025 hebben 434 musea (88% van de musea) één of meerdere tijdelijke tentoonstellingen georganiseerd. Dat gaat om 2.182 tijdelijke tentoonstellingen, waarvan 87% in het eigen museum, 10% elders in Nederland en 3% in het buitenland. Deze verdeling is vergelijkbaar met eerdere jaren. Vergeleken met 2024 (85%) is het aandeel musea met minstens één tijdelijke tentoonstelling licht toegenomen. In 2019 organiseerden ongeveer negen op de tien musea minimaal één tijdelijke tentoonstelling. De verschillen tussen 2019 en 2025 zijn per grootteklasse klein (figuur 7.6): bij de middelkleine (van 89% naar 93%) en middelgrote musea (van 86% naar 89%) is het aandeel iets toegenomen, terwijl het bij de kleine musea vrijwel gelijk is gebleven (88% naar 87%). Bij de grote musea organiseert in 2025 96% één of meerdere tijdelijke tentoonstellingen, net als in 2019.
Figuur 7.6 Aandeel musea met tijdelijke tentoonstellingen naar grootteklasse (in %), 2019 en 2025*
8. Personeel
Omvang en ontwikkeling personeel
Het aantal werkzame personen bij de 492 musea groeit in 2025 tot ruim 45 duizend, een toename van ruim 1.500 personen ten opzichte van 2024 (3,5%). Deze groei is sterker dan die van de persoonsinzet in fte’s (2,4%). Het aantal medewerkers neemt dus sneller toe dan het aantal voltijdbanen, wat erop wijst dat de extra inzet relatief vaker bestaat uit deeltijdwerk. Zowel het aantal werkzame personen als fte’s is hoger dan in 2019, het piekjaar voor de coronacrisis. Het percentage ziekteverzuim van het personeelsbestand ligt in 2025 op 5,1%, iets lager dan in 2024 (5,3%). Het ziekteverzuim schommelt daarmee al sinds 2020 rond de 5%, na de constante stijging in de periode daarvoor (in 2016: 3,5%).
Op een dip in de coronajaren na kunnen de musea steevast rekenen op de inzet van vrijwilligers en stagiairs. In totaal is 67% van de werkzame personen in 2025 (ruim 30 duizend personen) vrijwilliger of stagiair, waarmee dit aandeel terug is op het niveau van voor de coronacrisis. Het aantal fte’s van vrijwilligers en stagiairs neemt ten opzichte van 2024 minder sterk toe dan het aantal fte’s van betaald personeel: 0,8% tegenover 2,9%. Het aandeel musea dat primair afhankelijk is van vrijwilligers en stagiairs, gedefinieerd als het hebben van maximaal 0,5 fte aan betaald personeel, ligt in 2025 op 21,5% en schommelt daarmee al jaren rond de 22%.
Figuur 8.1 Ontwikkeling fte’s naar grootteklasse (in %), 2019-2025 en 2024-2025*
Bij de musea die in de hele periode 2019-2025 lid waren van de Museumvereniging is het aantal fte’s in 2025 in alle grootteklassen toegenomen, met uitzondering van de kleine musea. In totaal gaat het om een verschil van 616 fte’s, wat overeenkomt met een toename van 6,0%. De ontwikkeling van het aantal fte’s verschilt naar grootteklasse (figuur 8.1). Bij kleine musea is het aantal fte’s tussen 2019 en 2025 afgenomen (-16%), terwijl bij de grote (11%), middelkleine (6%) en middelgrote musea (2%) een toename zichtbaar is. De periode 2024-2025 laat een vlakker beeld zien: bij de grote musea is het aantal fte’s vrijwel gelijk gebleven, terwijl bij de overige grootteklassen een lichte stijging te zien is, van 1% tot 4%.
Samenstelling van het personeel
De helft (50%) van het personeel in fte’s heeft in 2025 een vast dienstverband (figuur 8.2), 2 procentpunt meer dan in 2024. Een kwart (25%) bestaat uit vrijwilligers of stagiairs, 17% heeft een tijdelijk dienstverband en 8% is ingehuurd. Die verhoudingen zijn vergelijkbaar met 2024.
Figuur 8.2 Samenstelling personeel naar fte (in %), 2025
Tussen 2019 en 2025 zijn er per type dienstverband verschillen te zien in de ontwikkeling van het aantal fte’s (figuur 8.3). De omvang van het aantal fte’s in tijdelijke dienst is met 37% toegenomen. Deze ontwikkeling komt mede voort uit de inwerkingtreding van de Wet arbeidsmarkt in balans per 1 januari 2020. Als gevolg daarvan hebben de musea meer payrollers in tijdelijke dienst aangenomen. Ook het aantal fte’s van personeel in vaste dienst is toegenomen (6%). Het aantal fte’s van ingehuurd personeel (-4%) en dat van vrijwilligers en stagiairs (-7%) is tussen 2019 en 2025 juist afgenomen.
Figuur 8.3 Ontwikkeling fte’s naar type dienstverband (in %), 2019-2025*
Bij de geschiedenismusea werkt het grootste deel van alle personen (58%), wat samenhangt met de relatief grote inzet van vrijwilligers en stagiairs daar, gevolgd door de kunstmusea (25%, figuur 8.4). Gemeten in fte’s is de verhouding tussen beide typen gelijkwaardiger (41% om 38%), net als in voorgaande jaren (figuur 8.4).
Figuur 8.4 Musea naar werkzame personen en fte’s per type collectie (in %), 2025
Functieverdeling
Hoewel het aantal fte’s in 2025 is toegenomen ten opzichte van 2024, verandert er aan de functieverdeling weinig (figuur 8.5). Het grootste deel van het personeel is werkzaam in publiek en presentatie (31%), gevolgd door 23% in bedrijfsvoering en 18% in collectie. Daarna volgen de commerciële activiteiten (13%), educatie (9%) en wetenschap (5%). De functieverdeling is nagenoeg gelijk aan die van 2024; de aandelen verschillen hooguit een procentpunt.
Figuur 8.5 Functieverdeling van het personeel (in %), 2024 en 2025
Museum cao
Van de fte’s in loondienst van musea valt 58% onder de Museum cao (figuur 8.6), precies evenveel als in 2024. De daling van 5 procentpunt die zich vorig jaar voordeed, heeft dus niet doorgezet. Het aantal fte’s in loondienst bij musea die de Museum cao hanteren, is toegenomen van circa 4.900 naar ruim 5.000. Het aandeel musea dat deze cao hanteert, is met 40% gelijk gebleven. De verschuiving zit in 2025 tussen de twee andere categorieën: het aandeel fte’s onder andere cao’s daalt van 27% naar 25%, terwijl het aandeel met een eigen arbeidsvoorwaardenregeling stijgt van 15% naar 18%. In 2025 hebben 80 musea geen personeel in loondienst; zij blijven in deze figuur buiten beschouwing.
Figuur 8.6 Verdeling cao’s (in %), 2024 en 2025
9. Financiën
Omzet
De totale omzet van alle musea bedraagt 1,38 miljard euro in 2025 (tabel 9.1). Deze omzet is ongelijk verdeeld over de typen musea: kunstmusea maken minder dan een kwart van de museumpopulatie uit (24%) maar zijn goed voor bijna de helft van de totale museale omzet (46%), tegenover 37% omzet bij de grote groep geschiedenismusea (62%).
De totale omzet is met 5,6% toegenomen ten opzichte van de 1,31 miljard euro omzet van 2024 en ligt 30% hoger dan de 1,06 miljard euro van 2019. Wanneer alleen de musea worden meegenomen die in de volledige reeks voorkomen, is de omzet in de periode 2019-2025 gestegen met 27%. De omzet bestaat in 2025 net als de afgelopen jaren voor 49% uit eigen inkomsten en voor 51% uit overheidssubsidies (figuur 9.1).
Figuur 9.1 Verdeling van de omzet (in %), 2025
Tabel 9.1 Samenstelling van de omzet, uitgesplitst naar subsidies en eigen inkomsten, 2025
Eigen inkomsten
De eigen inkomsten van musea zijn in 2025 verder gestegen tot 672 miljoen euro (tabel 9.1), 4,4% meer dan in 2024 en 25,2% meer dan in 2019. Het herstel na de coronadip is echter niet voor alle musea even volledig: de kleine musea behalen in 2025 gemiddeld slechts 3% meer eigen inkomsten dan in 2019, terwijl de stijging bij de middelkleine en grote musea 21% bedraagt en bij de middelgrote musea zelfs 40% (figuur 9.2).
Figuur 9.2 Ontwikkeling eigen inkomsten per grootteklasse, 2019-2025*
De samenstelling van de eigen inkomsten is in 2025 grotendeels vergelijkbaar met voorgaande jaren (tabel 9.1 en figuur 9.3). Entreegelden vormen met 46% de grootste post (tegen 45% in 2024) en zijn gestegen van 288 naar 310 miljoen euro. Dat is inclusief de bezoekvergoeding voor de Museumkaart. De gemiddelde entreeprijs voor volwassenen tot 65 jaar is 11,30 euro in 2025, een stijging van 7% ten opzichte van 2024 toen het nog 10,60 euro bedroeg. Het grootste verschil zit bij de private fondsen, waarvan het aandeel is gedaald van 15% naar 12%, ofwel van 95 naar 84 miljoen euro.
Figuur 9.3 Samenstelling van de eigen inkomsten, 2024 en 2025
Subsidies
De musea ontvangen in 2025 in totaal 710 miljoen euro uit overheidssubsidies (tabel 9.1). Bijna de helft daarvan (348 miljoen euro, 49%) komt van het Rijk, waarmee dit de belangrijkste subsidiegever is, die tevens goed is voor een kwart van de totale omzet. Daarna volgen de gemeenten met 269 miljoen euro (38% van de subsidies en 19% van de totale omzet). De totale 710 miljoen euro aan subsidies in 2025 is een stijging van 6,8% ten opzichte van de 665 miljoen in 2024. Vergeleken met 2019 zijn de overheidssubsidies in totaal gestegen met 34,6%. Daarbij nemen de gemeentelijke subsidies sinds 2019 gestaag toe (figuur 9.4). Ook de Rijkssubsidies stijgen door tot het hoogste niveau van de drie (index 134). De provinciale subsidies verlopen grilliger: na een sterke afname in 2024 laten zij in 2025 juist weer een duidelijke toename zien (index 117).
Figuur 9.4 Ontwikkeling subsidies (index, 2019 = 100), 2019-2025*
In 2025 komt 25% van de totale omzet van musea uit Rijkssubsidies en 19% uit gemeentelijke subsidies (figuur 9.5). Het Rijk draagt in euro’s meer subsidie bij dan gemeenten, maar die bijdrage is sterk geconcentreerd bij een kleine groep musea. Waar 144 musea Rijkssubsidie ontvangen, krijgen 386 musea gemeentelijke subsidie. De Rijkssubsidie is bovendien zeer ongelijk verdeeld: de tien grootste ontvangers zijn samen goed voor 59% van het totale Rijksbudget. Daardoor is het gemiddelde bedrag per museum hoog (2,4 miljoen euro), terwijl de helft van de musea minder dan 141 duizend euro ontvangt (de mediaan). Bij gemeenten is de verdeling gelijkmatiger, met een gemiddelde van 700 duizend euro.
Het Rijk is dus vooral een grote financier van een beperkt aantal (grote) musea, terwijl gemeenten een veel bredere groep musea ondersteunen. Voor 54% van de musea zijn gemeenten in 2025 de hoofdfinancier (tabel 9.2), gevolgd door het Rijk (17%) en particulieren (17%, bestaande uit onder meer giften van bedrijven en vriendenverenigingen). Voor vrijwel alle typen collecties is de gemeente de hoofdfinancier. De musea voor bedrijf, wetenschap en techniek kunnen naast financiële steun van de gemeente en het Rijk ook rekenen op een forse bijdrage van particulieren (25%).
Tabel 9.2 Musea naar type collectie en hoofdfinancier, 2025
Figuur 9.5 Musea naar omzetaandeel (in %), 2025
Regionaal gezien is het aandeel musea met de gemeente als hoofdfinancier het grootst in Friesland (71%, figuur 9.6). In Groningen is dit aandeel met 42% het kleinst, maar daar kunnen de musea rekenen op een relatief grote bijdrage van de provincie (42% met de provincie als hoofdfinancier). Ook valt op dat de Rijkssubsidies relatief vaak naar de Randstedelijke provincies gaan en dat musea in Overijssel en Gelderland juist relatief vaak door particulieren worden ondersteund.
Figuur 9.6 Musea naar hoofdfinancier en provincie (in %), 2025
Kosten
De musea maken in 2025 in totaal 1,41 miljard euro kosten (tabel 9.3). Ten opzichte van 2024 is dit een stijging van 5,5%, en ten opzichte van 2019 een stijging van 30%. De grootste kostenposten voor de musea zijn door de jaren heen de personeels- en huisvestingskosten, respectievelijk 677 en 310 miljoen euro in 2025. De personeelskosten stijgen met 9% ten opzichte van 2024, terwijl de huisvestingskosten vrijwel constant zijn gebleven (+2%) en de overige kostenposten samen met 3% toenemen. Ondanks deze ontwikkelingen blijft de verdeling van de uitgaven over de verschillende kostenposten redelijk stabiel (figuur 9.7).
Tabel 9.3 Samenstelling van de kosten van musea, 2019-2025
Figuur 9.7 Samenstelling van de kosten, 2024 en 2025
Over de langere periode vanaf 2019 (figuur 9.8) zijn vooral de personeelskosten flink gestegen (+43%), gevolgd door de huisvestingskosten (+22%). De overige kosten, waaronder tentoonstellings- en aankoopkosten, komen na een sterke afname tijdens corona weer net boven het niveau van 2019 uit (+10%).
Figuur 9.8 Ontwikkeling kosten musea naar type (index, 2019 = 100), 2019-2025*
In 2025 stijgen zowel de omzet als de kosten van musea met 73 miljoen euro, tot respectievelijk 1,38 en 1,41 miljard euro. Het bedrijfsresultaat komt daarmee uit op -28,9 miljoen euro, gemiddeld een tekort van bijna 59 duizend euro per museum. Alle grootteklassen sluiten 2025 gemiddeld negatief af, variërend van 33 duizend euro bij de kleine tot 121 duizend euro bij de middelkleine musea (figuur 9.9).
Figuur 9.9 Gemiddeld bedrijfsresultaat van musea naar grootteklasse (x 1.000 euro’s), 2024-2025 *
In 2025 sluit 43% van de musea het jaar af in de rode cijfers (-1 procentpunt ten opzichte van 2024). Dit varieert van 36% bij de middelgrote tot 47% bij de kleine musea (figuur 9.10). Bij de middelkleine musea was in 2024 nog de helft (50%) verlieslatend; met 40% in 2025 laten zij de gunstigste ontwikkeling zien van alle grootteklassen. Bij de grote musea blijft het aandeel stabiel op 46%. Ondanks de omzetstijging blijven veel musea dus in financieel zwaar weer verkeren, doordat ook de kosten zijn gestegen.
Figuur 9.10 Aandeel musea met negatief bedrijfsresultaat naar grootteklasse (in %), 2023, 2024 en 2025
10. Inflatie
Als de subsidies van musea structureel achterblijven bij de inflatie, werkt dat als een sluipende bezuiniging. Hoewel budgetten op papier (kunnen) stijgen, neemt de koopkracht van musea in werkelijkheid af. In de praktijk betekent dit dat musea steeds meer tekorten moeten opvangen en steeds minder ruimte hebben om te investeren in hun publieke ta-ken, zoals educatie, kennisontwikkeling en het verzamelen en tentoonstellen van materieel en immaterieel erfgoed.
Dit hoofdstuk brengt daarom in beeld hoeveel duurder het sinds 2015 is geworden om een museum draaiende te houden en of de overheidssubsidies daarin zijn meegestegen. Daarbij kijken we niet naar de algemene inflatie, maar naar de museumspecifieke inflatie. Musea geven hun geld immers anders uit dan een gemiddeld huishouden: ongeveer twee derde van hun kosten bestaat uit personeel en huisvesting. Door de prijsontwikkeling te wegen naar dit kostenpatroon ontstaat een realistischer beeld van wat musea daadwerkelijk meer kwijt zijn dan voorheen. Verderop in dit hoofdstuk lichten we toe hoe deze (technische) maat precies is berekend.
In de Museumcijfers 2022 maakten we deze berekening ook al. De museumspecifieke inflatie kwam toen uit op 25% tussen 2015 en 2022, terwijl de overheidssubsidies in diezelfde periode met slechts 11% waren gestegen. Musea hadden dus steeds meer geld nodig om hetzelfde te kunnen doen, maar kregen daar juist minder middelen voor. Inmiddels zijn we een aantal jaren verder en actualiseren we die berekening.
Afbakening van de analyse
Voor musea die lid zijn van de Museumvereniging zijn de totale overheidssubsidies sinds 2015 met 31% toegenomen, van 542 miljoen euro in 2015 tot 710 miljoen euro in 2025. Tussen 2015 en 2025 is het aantal musea dat aangesloten is bij de Museumvereniging echter ook flink gegroeid, namelijk met 19%, ofwel van 413 naar 492 musea. Een deel van de subsidie-groei is dus toe te schrijven aan het feit dat er simpelweg meer musea lid worden van de Museumvereniging (en dus meer leden overheidssubsidie krijgen).
Om een beter beeld te krijgen van de werkelijke ontwikkeling van subsidies voeren we de analyses in dit hoofdstuk alleen uit met de 353 musea die onafgebroken lid zijn geweest van de Museumvereniging tussen 2015 en 2025, en waarvan we in alle jaren de benodigde gegevens hebben. Musea die tussen 2015 en 2025 zijn gestopt, gefuseerd of pas na 2015 zijn opgericht of toegetreden, zitten niet in deze analyse. Voor de vaste groep van 353 musea zijn de totale overheidssubsidies toegenomen van 483 miljoen euro in 2015 naar 611 miljoen euro in 2025 (figuur 10.1), ofwel een stijging van 26%.
Figuur 10.1. Ontwikkeling overheidssubsidies in miljoenen euro’s, 2015-2025
Museumspecifieke inflatie
De kosten van musea zijn sinds 2015 fors gestegen, vooral in de laatste jaren (tabel 10.1). Tot 2019 bleven de totale uitgaven vrij stabiel, in 2020 daalden ze door de coronasluitingen, en sindsdien nemen ze sterk toe: van 834 miljoen euro in 2020 tot 1,23 miljard euro in 2025. Over de hele periode 2015-2025 zijn de totale uitgaven met 35% toegenomen. Van de museale kosten bestaat gemiddeld 44% uit personeelskosten en 24% uit huisvestingskosten (inclusief energie en water); samen dus ongeveer twee derde van de totale uitgaven. Om de museumspecifieke inflatie te berekenen worden de volgende gegevens gebruikt (bron: CBS):
- Ontwikkeling van de contractuele loonkosten per uur in de gesubsidieerde sector;
- De afgeleide consumentenprijsindex* voor huisvesting, energie en water;
- De afgeleide consumentenprijsindex voor alle bestedingen.
* De gewone consumentenprijsindex, exclusief het effect van veranderingen in de tarieven van product gebonden belastingen (zoals btw en accijns) en subsidies. Zo weerspiegelt de museumspecifieke inflatie de onderliggende prijsontwikkeling, en niet mede het effect van bijvoorbeeld btw-wijzigingen.
Tabel 10.1 Kosten in miljoenen euro’s, met gemiddeld aandeel van de totale uitgaven, 2015-2025
Voor kosten die geen betrekking hebben op personeel en huisvesting hanteren we de algemene prijsontwikkeling als benadering voor de inflatie. De museumspecifieke inflatie is de met de kostenaandelen gewogen ontwikkeling van deze drie indexcijfers. Dit betekent dat de museumspecifieke inflatie voor 44% wordt bepaald door de ontwikkeling van loonkosten, voor 24% door de ontwikkeling van kosten voor huisvesting (inclusief energie, water en afschrijvingen) en voor de overige 32% door de ontwikkeling van kosten voor alle bestedingen.
Tussen 2015 en 2025 bedraagt de museumspecifieke inflatie 37% (figuur 10.2). Dit betekent dat musea 37% meer geld moeten uitgeven dan in 2015 om dezelfde kostenposten te dek-ken. De sterkste stijging zit in de loonkosten (+41%), die met een aandeel van 44% ook het zwaarst meewegen. De kosten voor huisvesting, energie en water schoten in 2022 omhoog door de energiecrisis, daalden daarna en stijgen sinds 2024 opnieuw (+39% over de hele periode). De algemene prijsontwikkeling blijft daar met 32% onder.
Figuur 10.2 Ontwikkeling museumspecifieke inflatie (index, 2015 = 100), 2015-2025
Subsidies versus inflatie
De museumspecifieke inflatie tussen 2015 en 2025 bedraagt 37%, tegenover een toename van de overheidssubsidies van 26% in dezelfde periode voor de musea die onafgebroken lid waren van de Museumvereniging. Om de subsidies voor deze musea op het niveau van 2015 te houden, gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling, zou in 2025 een bedrag van 664 miljoen euro nodig zijn geweest. In werkelijkheid hebben de musea 611 miljoen euro ontvangen. Musea komen daarmee 53 miljoen euro te kort: bijna 8% minder dan nodig is om hun koopkracht van 2015 te behouden.
Gevoeligheidsanalyses
De uitkomsten in dit hoofdstuk hangen samen met een aantal keuzes: welke musea we meenemen en over welke periode we rekenen. Om te toetsen hoe bepalend die keuzes zijn, hebben we de berekening op verschillende manieren herhaald. Zo hebben we gerekend met een strengere selectie musea (waarbij uitschieters en musea met duidelijke trendbreuken buiten beschouwing blijven) en met andere basisjaren (bijvoorbeeld 2016-2025 of 2019-2025 in plaats van de volledig beschikbare reeks vanaf 2015). In al deze varianten blijven de subsidies achter bij de museumspecifieke inflatie: het subsidiebedrag komt telkens 3% tot 10% lager uit dan nodig zou zijn geweest om de koopkracht van het startjaar te behouden. De conclusie is daarmee niet afhankelijk van de gekozen periode of museumselectie.
Over de Museumvereniging
Elk jaar doen de Museumvereniging en het CBS een uitvraag onder musea over het afgelopen jaar. In deze publicatie verschijnen de cijfers van de 492 leden van de Museumvereniging in 2025.
Musea zijn van grote maatschappelijke en economische waarde, brengen mensen samen en zijn plekken voor educatie en inspiratie. Met hun rijkgeschakeerde collecties vertellen ze bijzondere verhalen, tonen ze verschillende perspectieven en nodigen ze uit tot dialoog en verdieping. Een veerkrachtige en toegankelijke museumsector is in staat te investeren in een duurzame verbinding tussen mensen en musea.
Een veerkrachtige museumsector
Een veerkrachtige museumsector is van groot maatschappelijk belang. Een financieel gezonde en duurzame basis stelt musea in staat hun culturele, educatieve en economische waarde volledig tot hun recht te laten komen. De balans tussen publieksbelang en museumbelangen vormt daarbij een cruciale randvoorwaarde, evenals een breed gedragen en toekomstbestendige Museumkaart. Om de sector te versterken is het noodzakelijk dat kennis over duurzaamheid, digitale transformatie, regelgeving en financiering breed beschikbaar is en gedeeld wordt. Veiligheid, weerbaarheid en professioneel bestuur ondersteunen de continuïteit van musea en beschermen gebouwen, collecties en organisaties. De autonomie van museale instellingen is daarbij van belang voor een vrij en onafhankelijk cultureel landschap. De zichtbaarheid en toegankelijkheid van collecties dragen bij aan het culturele bewustzijn van een brede samenleving, terwijl actuele richtlijnen, samenwerking en kennisuitwisseling essentieel blijven om collectiebeheer, onderzoek en presentatie te verdiepen en te vernieuwen.
Een toegankelijke museumsector
Een toegankelijke museumsector is van algemeen belang voor een samenleving waarin iedereen kan deelnemen aan cultuur. Musea die communicatie, producten en diensten afstemmen op diverse behoeften maken het mogelijk dat mensen zich welkom, gezien en gerepresenteerd voelen. Ook vraagt een inclusieve sector om kennis van diversiteit, toegankelijkheid en meervoudige perspectieven, zodat musea een breed en veelzijdig publiek kunnen bereiken en bedienen. Een aantrekkelijke en toekomstbestendige arbeidsmarkt is onmisbaar voor de kwaliteit van museale organisaties. Goede arbeidsvoorwaarden, sociale veiligheid en mogelijkheden voor professionele ontwikkeling dragen bij aan een gezonde werkcultuur voor medewerkers, vrijwilligers en professionals. Een sector waarin mensen zich verbonden voelen met elkaar en met het bredere museale veld versterkt de gezamenlijke waarden en het vakmanschap dat nodig is om musea inspirerend, open en relevant te houden voor iedereen.
Verantwoording
Databewerking: Eric Verhoog (ABF Research)
Tekstredactie: Nadine van den Berg (Atlas Research)
Analyse: Joran Veldkamp, Monté El Mahjoubi en Nancy Blaker (Atlas Research)
Projectleiding en vormgeving: Aylin Beijersbergen (Museumvereniging)
Interpretatie van de cijfers
De cijfers in dit rapport zijn gebaseerd op een jaarlijkse enquête onder leden van de Museumvereniging. Bij de interpretatie van de gegevens is het belangrijk om met enkele nuances rekening te houden:
- Wisselende respons en steekproef: de gegevens zijn gebaseerd op de musea die elk jaar de vragenlijst invullen. De populatie varieert daardoor jaarlijks in zowel omvang als samenstelling, wat betekent dat trends deels beïnvloed kunnen worden door wie wel of niet deelneemt. Vergelijkingen tussen jaren moeten daarom als indicatief worden beschouwd.
- Gebruik van schattingen: musea mogen bij sommige vragen schattingen invullen in plaats van exacte aantallen, wat de cijfers afhankelijk van individuele inschattingen maakt.
- Interpretatieverschillen: ondanks de in de vragenlijst gegeven definities kunnen er interpretatie-verschillen optreden bij bepaalde begrippen. Verschillende musea kunnen deze immers op uiteenlopende manieren begrijpen, wat de consistentie van de antwoorden kan beïnvloeden.
- Afrondingen: de gepresenteerde cijfers zijn doorgaans afgerond. Hierdoor hoeft het totaal niet exact overeen te komen met de som van de afzonderlijk gepresenteerde cijfers, en kunnen aandelen bij elkaar opgeteld net onder of boven de 100% uitkomen.
De gepresenteerde gegevens zijn dus mede afhankelijk van de respons, inschattingen en interpretaties van de musea en moeten met de nodige voorzichtigheid gelezen worden.
Copyright
Museumcijfers 2025 is een uitgave van Stichting Museumkaart en de Museumvereniging, gebaseerd op data uit Museana. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.
Disclaimer
Ondanks de zorgvuldigheid waarmee Museumcijfers 2025 tot stand is gebracht, kunnen Stichting Museumkaart en de Museumvereniging geen aansprakelijkheid aanvaarden voor schade die het gevolg is van enige fout in deze uitgave.